Hoezo zijn vrouwen niet grappig?

Een nieuwe lichting vrouwelijke cabaretiers stuit nog op het vooroordeel dat vrouwen geen humor hebben.

Als cabaretier Anne Neuteboom (28) naar de kapper gaat, verzint ze vaak een excuusberoep. „Ik vind het moeilijk om te zeggen dat ik cabaretier ben. Mensen vragen: ‘Vertel eens een grap’. Of ik hoor: ‘Echt? Ik vind vrouwen niet grappig’.”

Maya van As (27) werd feminist op het podium. Te vaak kreeg ze een seksistische opmerking naar haar hoofd na haar voorstelling. „Ik deed een keer mee aan een improvisatie-uitvoering. Aan het einde kwam er een man naar me toe die in mijn wangen kneep en zei: ‘Nou je hield je goed staande tussen die mannen hè’. Ik stond perplex.”

Eva Crutzen (30) krijgt na bijna elke voorstelling ‘een drol in de vorm van een compliment’. „Dan komt er iemand naar me toe die zegt: ‘Ik vind vrouwen niet grappig’. Om daaraan toe te voegen: ‘Maar jou wel’.”

Een nieuwe generatie jonge vrouwelijke cabaretiers bestormt sinds een paar jaar het cabaretpodium. Ze treden in het spoor van een bescheiden groep vrouwelijke cabaretiers die doorbrak naar een groot publiek, onder wie Brigitte Kaandorp, Lenette van Dongen, Claudia de Breij, Sara Kroos, Sanne Wallis de Vries en Paulien Cornelisse. De nieuwe lichting is geboren in de jaren 80 en 90 en vaak opgegroeid met andere rollenpatronen dan de generatie daarvoor. Ze merken echter dat een deel van het publiek vasthoudt aan een onuitroeibare overtuiging: vrouwen zijn niet grappig.

Van As: „Ik ben door mijn ouders opgevoed met de gedachte dat het niet uitmaakt of ik man of vrouw ben, maar ik merkte na een optreden dat ik op mijn vrouwelijkheid werd beoordeeld, niet alleen op mijn grappen. Kijk het is hier geen Saoedi-Arabië, ik denk dat ik evenveel kansen krijg van theaters en impresariaten als mijn mannelijke collega’s, maar het is een soort sluimerende overtuiging die invloed heeft op het publiek en die zich uit in seksistische opmerkingen achteraf. Ik heb daarom het idee dat ik harder mijn best moet doen om het publiek voor me te winnen.”

1-0 achter

Giselinde Kuipers is cultuursocioloog aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in diverse landen onderzoek gedaan naar humor en was jarenlang hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift HUMOR. Volgens haar belemmert de overtuiging van het publiek vrouwen op het podium. „Vrouwen staan onbewust 1-0 achter. Humor is immers een afspraak. Als publiek moet je een besluit nemen voordat je de zaal in gaat: alles wat nu wordt gezegd, wil ik leuk vinden. Negatieve overtuigingen over vrouwen en humor zorgen ervoor dat het publiek onbewust minder enthousiast reageert.”

Feit is dat vrouwen minder vaak hun brood verdienen met grappen maken op een podium. Dit seizoen telt cabaretwebsite Zwarte Kat vier keer zoveel mannen als vrouwen op het cabaretpodium: 24 vrouwelijke acts tegenover 92 mannelijke; naast 6 gemengde groepen. Een vergelijkbare verdeling vertonen de drie grote cabaretfestivals: bij het Amsterdam Kleinkunst Festival, Leids Cabaret Festival en Cameretten, gaan vrouwen er veel minder vaak met de winst vandoor. Terwijl cabaretcarrières vaak daar beginnen.

Hoe kan dat? Volgens evolutionair psycholoog Gill Greengross van de Universiteit van Wales blijkt uit zijn onderzoek dat grappen van vrouwen minder gewaardeerd worden. „We hebben onderzoek gedaan waarbij mannen en vrouwen anoniem grappen op moesten schrijven en die lieten we lezen aan proefpersonen. Wat bleek? De grappen van mannen werden leuker gevonden.”

Zijn verklaring is evolutionair. „Het is belangrijk voor mannen om grappen te maken. Humor is onbewust gerelateerd aan voortplanting. Vrouwen zijn kieskeurig in het uitzoeken van hun partner, omdat ze een man willen die goed voor het nageslacht zorgt. Voor vrouwen is het daarom belangrijk dat ze een intelligente man kiezen. Uit onderzoek blijkt dat humor een goede graadmeter is voor iemands intelligentie. Kort door de bocht is de conclusie: mannen maken grappen, vrouwen lachen daarom.” Giselinde Kuipers kent de cijfers. „Sociologen, antropologen en taalkundigen doen regelmatig onderzoek naar gesprekken uit het dagelijks leven. Daaruit concluderen ze dat in veel interacties vaker om mannen wordt gelachen dan om vrouwen.’’

Maar Kuipers heeft moeite met de verklaring van Greengross. „We lachen sowieso minder om vrouwen, ondanks het niveau van de grap.” Daarnaast leren vrouwen niet om grappig te zijn. „Dat mannen grappen maken en vrouwen lachen is iets wat we geloven, en daarom wordt het waar.” En er is nieuw onderzoek dat uitwijst dat de verschillen minder sterk worden. „In enkele studies uit Australië en Nieuw-Zeeland vonden de onderzoekers dat om de grappen van vrouwen vaker gelachen wordt.”

Machtsgreep

Humor heeft ook te maken met macht. Kuipers: „Het maken van een grap is een soort machtsgreep. Het is een vrij dwingende manier van jezelf presenteren. Veel onderzoek laat zien dat we sneller lachen om mensen die we meer macht toekennen. Zo lachen we eerder om de grap van de baas dan om die van een collega. En in veel samenlevingen hebben vrouwen een lagere status.”

Een obstakel is ook dat we graag lachen om grappen die grof zijn. Kuipers: „Veel humor is grensoverschrijdend en taboedoorbrekend en dat zien wij niet als ‘vrouwelijk’.” Vrouwen moeten die weerstand overwinnen. „Van vrouwen wordt verwacht dat ze lief en mooi zijn en dat ze morele grenzen bewaken. Dus mannen worden beloond om grappig te zijn, terwijl vrouwen er onbewust een beetje op worden aangekeken. Dan moet je als vrouw wel heel graag deze kwaliteit willen ontwikkelen.”

Van As herkent de redenering. Na een voorstelling kwam een keer man naar haar toe. „Hij zei: ‘Wat was je grof voor een meisje. Terwijl je zo mooi bent. Wat zonde’.” Ze schrok ervan. „Dat verrast mensen. Vroeger werd humor vaak gekoppeld aan lelijkheid. Komisch zijn was gekke bekken trekken of mensen een podium geven die afweken van het schoonheidsideaal.”

Grof zijn, is dus niet ‘vrouwelijk’. Paradoxaal wordt vrouwelijke cabaretiers verweten te zachte grappen te maken, legt Van As uit. „Mensen hebben het vaak over ‘vrouwencabaret’. Ik vroeg ooit aan iemand wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Oppervlakkig en inhoudsloos cabaret’. Dus als vrouwen slecht cabaret maken, heet het vrouwencabaret. Als mannen slecht cabaret maken, vinden mensen het gewoon slecht.”

Crutzen: „Ik snap wel waar het vandaan komt. Ik vond ook dat er een periode was waarin veel vrouwelijke cabaretiers op het podium stonden met zeikonderwerpen. Vrouwelijke kwaaltjes en gedoe. Maar dat is allang niet meer. Cabaretiers als Brigitte Kaandorp, Louise Korthals en Martine Sandifort praten over de grote thema’s van het leven: liefde, dood, loslaten, eenzaamheid. Zeggen dat vrouwencabaret oppervlakkig en inhoudsloos is, is dom en generaliserend. Ik begrijp eigenlijk niet dat ik dat uit moet leggen.”

De drie denken dat de kijk op vrouwelijke cabaretiers zal veranderen nu er steeds meer vrouwen het podium op klimmen. Crutzen: „Het is een natuurlijk proces. Dat zorgt ervoor dat jonge meiden meer inspiratiebronnen hebben en er sneller voor kiezen cabaretier te worden. Mensen leren vanzelf dat er niet zoiets bestaat als ‘de vrouwelijke cabaretier’.”

Stop William Boeva maar in een hokje, hij breekt er wel uit

De Vlaamse comedian William Boeva toert de komende maanden door Nederland. „Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”

William Boeva (28) heeft sokken aan bij het interview. Dat klinkt logisch, maar Boeva’s armen zijn kort en reiken niet verder dan zijn onderbenen. „Ik neem elke ochtend mijn sokken mee in mijn jas, hopend dat ik snel iemand tref die ik ken.” Vanochtend is hij op straat een bekende tegengekomen die zijn koude voeten in een wit paar heeft gestoken. Boeva noemt zichzelf ‘dwerg’, het Nederlandse woord lilliputter vindt hij maar niets. Officieel heet zijn handicap pseudo-achondroplasie. Zijn romp en hoofd zijn van normale grootte, zijn ledematen niet.

Komende maanden toert Boeva met Reset door Nederland. Het interview over zijn show en zijn leven vindt plaats in café Het Bezemsteeltje, op steenworp afstand van Boeva’s huis in hartje Antwerpen. Aan de bar hangen op vrijdagochtend drie oude mannen op bruine leren barkrukken. Vlaamse levensliederen schallen net te hard door de boksen. „Ik heb wel gekeken of we rondom het station kunnen afspreken maar ik geraak daar gewoon niet. Het stationsgebied is verboden voor auto’s en ik kan maar 300 meter wandelen.”

Op papier klinkt Boeva wat zeurderig, in het echt is hij vooral erg vriendelijk en openhartig. In een van de scènes van zijn show vertelt Boeva dat hij zijn ‘gat’ niet af kan vegen. „Ik weet precies op welke toiletten in België ik mijn behoefte kan doen. Ik plan mijn toiletbezoek. Soms eet ik niet van tevoren omdat ik weet dat ik anders problemen krijg.” Vorig jaar ging het mis. Hij reed na een optreden naar huis, voelde gerommel in zijn buik, waarschijnlijk de hete bonenschotel van de avond daarvoor en moest stoppen bij een benzinestation. De gênante scène die volgt, beschrijft Boeva kostelijk.

Je regisseur vertelde dat hij je moest overtuigen om de scène in je show te stoppen.

„Ik heb over het incident een half jaar gezwegen. Ik schaamde me er zo voor. Vorig jaar ben ik mijn tweede voorstelling gaan schrijven. Mijn regisseur zei: dat moet erin. Het verhaal schuurt, is grappig en geeft zo duidelijk weer waar je tegenaan kan lopen met deze handicap. Maar het is niet meteen leuk om zoiets pijnlijks en persoonlijks met een groot publiek te delen.

„Mijn regisseur heeft mij überhaupt moeten overtuigen dat ik mijn handicap moet gebruiken. Ik ben begonnen met comedy toen ik achttien was. Ik praatte een beetje over Star Wars en politiek en zei niets over mijn lengte. Kijk, ik had een warme jeugd. Mijn ouders hebben me altijd goed beschermd. Ik had niet veel vrienden maar de vrienden die ik had, zorgden voor mij. Als we op reis wilden, stelden ze nooit voor: zullen we gaan skiën? Op die manier voelde het niet alsof ik een beperking had. Maar toen ik bij regisseur Han Coucke workshops ging volgen, zei hij: je kan er niet omheen. Mensen zien wat aan je. Het is ook een mogelijkheid. Gebruik het in je voordeel.”

Je praat nu meer over je handicap dan vroeger?

„Ja.”

Ben je gelukkiger nu je dat doet?

„Ja en nee. Ik word er niet gelukkiger van dat ik met mijn neus op de feiten word gedrukt, maar ik kan misschien ook de weg vrij maken voor anderen. Omdat ik wat bekender ben, luisteren mensen nu een beetje naar mij. Ik heb lang niet in een hokje willen passen, heb me verzet tegen het idee ‘ik ben dwerg’. Nu denk ik: stop me maar in een hokje, dan breek ik er wel uit. Ik ben meer dan mijn handicap.”

Dat klinkt meer als een plicht, niet als iets waar je gelukkig van wordt.

„Ik vind het nu niet erg meer. Zo openhartig zijn, leert mij om mijn handicap meer en meer te aanvaarden. Kijk, ik lig er ’s nachts wakker van. Waarom ik, vraag ik mezelf dan af. Het is onveranderbaar. Ik kan het niet oplossen. Dit is mijn leven. Ik moet hiermee omgaan.

„Mensen kijken ook continu op een bepaalde manier naar mij. Als ik het podium op loop en het publiek kent mij niet, dan is er bijna een soort angst. Zo van: weet hij dat hij een dwerg is? Nu gebruik ik dat. Als ik op kom, laat ik expres de microfoonstandaard te hoog staan. Dan zie je mensen denken: o nee, hij kan er niet bij, wat moeten we nou doen? Moet iemand het podium op? Ik draai vervolgens het statief naar beneden en doe alsof ik boos ben. Meestal zeg ik: de eerste die plop zegt, sla ik op zijn bek.”

Heb je veel fysieke problemen?

„Vroeger heb ik veel operaties gehad om mijn benen en armen te verlengen. Mijn botten zijn op twee plaatsen gebroken en daartussen zijn pinnen gestoken. Aan de buitenkant konden artsen aan het skelet draaien waardoor mijn armen en benen werden opgerekt. Mijn armen zijn elf centimeter langer geworden, mijn bovenbenen negen centimeter en mijn onderbenen twaalf centimeter.

„Je wordt uit elkaar getrokken. Het waren Middeleeuwse praktijken. Ik kreeg wel pijnstillers hoor, maar als je vijf bent en wakker wordt met een ijzeren skelet aan je benen, dan begrijp je dat niet. Het eerste wat ik deed, was eraan trekken. Dat moet eraf dacht ik, want het deed pijn en jeukte. Op den duur went het en kun je ervan slapen. Ik heb er zes jaar mee rondgelopen. Nu ben ik erg blij met die behandelingen. Het is het verschil tussen alles moeten aanpassen in huis, en net niets.”

Ik heb moeten lachen om je show. Tegelijkertijd had ik ook vaak medelijden. Je schetst een beeld van iemand die zich moet invechten in de maatschappij. Wat vind je ervan als mensen medelijden met je hebben?

„Het klinkt misschien raar, maar dat vind ik zeker niet erg. Comedy is een ‘area of emotions’, niet alleen maar hard lachen. Het publiek stil krijgen, is misschien nog wel mooier. Daarnaast, zo’n handicap is constant gedoe en dat wil ik graag laten zien. Ik woon nu twee maanden op mezelf en heb een invalidekaart aangevraagd. Maar dit is België, dus dat duurt zes maanden. Ik kan nu amper parkeren in de buurt. Als ik terugkom van mijn show moet ik op zoek naar een parkeerplek. Vaak staat alles vol. Dan rij ik wel twee uur rond.”

Midden in de nacht?

„Ja. Ik zet mijn auto wel eens op de laad-en losplek maar ik heb al zoveel bekeuringen gekregen. Die moet ik dan weer aanvechten.”

Maakt dat je boos?

„Steeds bozer. Omdat dit soort dingen de integratie van mensen met een handicap belemmert in de maatschappij. Terwijl het opgelost kan worden.”

Vroeger stonden dwergen, reuzen, dikke dames en zwarte mensen op het podium om mensen te vermaken, omdat hun anders-zijn als ‘rariteit’ werd beschouwd. Is er wat veranderd?

„Voor ons niet. Wij zijn nog steeds een rariteit. Ik denk dat we niet verder zijn dan de Middeleeuwen qua integratie, zelfs achteruit zijn gegaan, omdat we toen wel in het straatbeeld voorkwamen. Loop eens op straat en tel hoeveel mensen er een handicap hebben. Zoek dan eens op hoeveel mensen er volgens de cijfers een handicap hebben. Waar zijn ze dan? Verscholen in huizen. Ze doen niet mee in de maatschappij.”

In je show hou je met een groot telraam bij hoeveel dwergenmoppen je maakt. Waarom?

„In België kreeg ik kritiek omdat ik te veel dwergenmoppen zou maken. Voor de gein heb ik daarom een groot telraam op het podium gezet. Het is ook provocerend bedoeld, dit is mijn leven. De meeste cabaretiers maken comedy over hun eigen leven, ik dus ook. Maar de kritiek remt mij wel af. Ik zit in België wel eens in televisieprogramma’s en dan denk ik: dit zou een mooie grap zijn. Toch vertel ik hem niet. Ik stel me voor hoe mensen reageren: ze gaan eerst lachen en daarna zeggen, ja dat is wel gemakkelijk. Ik zou me er niets van aan kunnen trekken maar ik wil bewijzen dat ik ook zonder die grappen goed ben. Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”