Je Lijf

(Stukje stond op Instagram)

Oké. Uitleg Anouk. Waarom deze foto?

Ik had bedacht, ik ga een foto plaatsen van mezelf. Waarop ik mijn buik uitzet. Met de kop: nee, ik ben niet zwanger, maar wel super trots op mijn buik. Ik heb PDS en die buik heb ik jarenlang niet uit kunnen zetten. Werd ik wakker, was ik -9 maanden zwanger. Ik kon duwen wat ik wilde.

Ik wilde ook een soort filosofisch stukje schrijven over hoe ik mijn lijf tiranniseerde met mijn perfectiedrang. Dat ik me steeds vaker afvroeg waarom ik in godsnaam zo dicht bij die spiegel ging staan. Dat ik precies wist in welke poses ik welke putten zou hebben. Ik zou er dan een suf grapje bijzetten: Waarom doe ik dat? Wacht ik op het moment dat iemand eindelijk heeft uitgevonden hoe je daar poffertjes kan bakken? En waarom vinden we putten bij mensen wel erg en bij sinaasappels niet? En o ja, ik zou ook zeggen dat ik met mijn gezicht ook veel te dicht bij de spiegel sta. En de vraag schrijven: waarom zou je dat doen? Omdat je super verveeld bent in deze coronacrisis, alle films hebt gekeken, en daarom maar poriën gaat tellen?

Super leuke grapjes allemaal. En sympathiek. Met huiliehuilie ‘ik ben trots op mijn imperfectie’ enzo.

En dan zou ik zeggen dat ik die manier van kijken naar het lichaam achter me wil laten. Dat ik mijn lichaam steeds meer liefheb om wat het doet. Dat het voor me vecht om me gezond te houden. Hoe belangrijk dat is, vooral nu.

Dat soort zweverig gezeik had ik dus willen schrijven.

Maarrr. Daar moest natuurlijk ook wel een foto bij. En wat doe je dan aan? Iets lekker straks, want dan kan je die buik zien. En natuurlijk ook zien dat ik eigenlijk vet lekker ben. Want dat is wel de regel van Instagram. Dat je doet alsof je kwetsbaar bent en tegelijkertijd jezelf zo mooi mogelijk op de foto zet. Dat je bijvoorbeeld zegt, ‘chilling Sunday’ met een warme thee in je hand en een trui die net even te sexy over je schouder valt. Dat je doet alsof je ontspant maar iedereen eigenlijk weet dat je zojuist als een debiel 100 foto’s hebt geschoten met net de juiste hoeveelheid bloot.

Dat wilde ik ook doen. Dus ik kleedde me om, liep naar beneden en vroeg aan Filipe: wil je een foto maken? Hij keek me aan en was verbaasd. Wat hij zag, kwam niet overheen met hoe ik me de laatste tijd had gekleed. Waar was mijn joggingbroek, waarom opeens een bh? Waarom nu wel mascara? Waar was mijn bril? Waarom naadloos ondergoed? Waar waren mijn blauwe beenwarmers?

Hij deed het wel braaf. Althans. Probeerde het.

‘Uuhm, Anouk. Kan je niet veel verder je buik uitzetten? Ik weet niet of je zo je boodschap wel overbrengt.’

Dat lukte niet. Ik keek naar de foto. Leuk idee, maar ik kon die dus niet op Instagram zetten, dan zou de feministenpolitie boos worden. Dit is niet waar #bodypositivity voor is bedoeld. Die is voor mensen die niet voldoen aan het (totaal idiote, laat dat duidelijk zijn) schoonheidsideaal van de bladen en de televisie.

Maar daarna dacht ik, wat een onzin verkoop jij jezelf Anouk. Waarom mogen mensen met striae wel op internet zeggen ‘ik ben trots op mijn lijf’ en jij niet? Omdat je toevallig voldoet aan die gekke ideeën van die bladen? Want de waarheid is: dit is dus mijn lichaam en al met al ben ik best tevreden. Ja ik ken al mijn imperfecties, en ja ik weet dat alles smaak is enzo, maar ik ben uiteindelijk blij met hoe mijn mama mij heeft uitgepoept.

Althans, met de vorm. De aanleiding van de foto was wel oprecht. Ik ben echt super trots dat ik mijn buik uit kan zetten, ook al zie je dat dus vrij slecht. Een veel te gespannen strakke buik is voor niets goed. Daar krijg je problemen van met zingen, met soepel bewegen op een podium, met eten. Dat wil je niet. Ik eet nu volgens fodmap, drink lauw water, doe yoga-oefeningen, schudt mezelf ’s ochtends los met van die gekke humhum-oefeningen en heb het idee dat ik eindelijk stappen zet.

En ik ben mijn lijf dus echt meer aan het waarderen. Sinds kort dans ik veel en ik merk voor het eerst hoe leuk een lijf kan zijn (Nee, nee, nee Filipe. Sorry, sorry, zo bedoel ik dat natuurlijk niet. Natuurlijk is het altijd heel… Enzo. ). Gewoon bewegen omdat je lichaam dat leuk vindt, niet omdat het ergens aan moet voldoen. Al je frustratie eruit dansen, huppen, trillen en shaken. Grappig om te merken dat het lichaam dan ook een opslagplaats is van verdriet. Oud verdriet. Wist ik veel.  

Dus mijn conclusie blijft eigenlijk overeind, maar ik vond het ook wel leuk om mijn gedachtekronkels te delen. Omdat het aangeeft hoe verkrampt we met lichamen omgaan. Met bloot, met schoonheid, met je expressief uiten, met gezondheid. En vooral bij vrouwen. Je moet sexy zijn, of nou ja, zei ik sexy, ik bedoel gewoon, gezonde dosis van zelfvertrouwen. Of nou ja, zelfvertrouwen, ja hallo het is niet de bedoeling dat je zoveel zelfvertrouwen hebt, ik bedoel jij hebt toch ook imperfecties? Dus daarom een foto van mij met soort van dikke buik die niet echt dik wil zijn, met een buik die -1 maand zwanger is (mijn normale buik dus) en in joggingbroek met blauwe sokken.

Ik sluit alsnog af met iets wolligs: waardeer je lijf. Het draagt je ambities, je dromen, je angsten, je liefde, je emotie. Het kent je door en door. En het vecht keihard om je gezond te houden. Wees er een beetje lief voor. Vooral nu. Welke vorm het dan ook heeft.

Interview cabaretière Sanne Wallis de Vries: Als ik iets zeg, denk ik: tut tut, ho ho, is dat wel zo?

Hoe leg je uit waar je voorstelling over gaat? Een moeilijke vraag voor Sanne Wallis de Vries. „Dan denk ik, kijk nou wat er gebeurd is. Je bent een ouwe taart die tegen de overgang aanhikt en die de hele tijd adviezen aan mensen wil geven.”

‘Ik ben wel benieuwd hoe je dit eigenlijk gaat opschrijven. Ik hoop niet zo stellig, want zo bedoel ik het niet”, zegt Sanne Wallis de Vries halverwege het interview. Het typeert de cabaretière en dat maakt een interview met haar wel een beetje worstelen. Want Wallis de Vries heeft de interessante eigenschap om dingen fel te zeggen en vervolgens net zo stellig te nuanceren. En ja, wat wil ze dan eigenlijk zeggen?

Het is misschien een onbewuste trek in het interview, toch is het ook haar handelsmerk op het podium. Daar kan ze als cabaretière in één zin al twee nuances maken. Op 6 maart gaat haar nieuwe voorstelling Kom, o.a. over de thema’s gender en klimaat, in première in de Kleine Komedie in Amsterdam.

Je lijkt in het echte leven stelliger over dingen dan op het podium.

„Ja absoluut sowieso.” Ze wacht even. „Hoe dan eigenlijk?”

Over de vluchtelingencrisis had je toch een duidelijke mening?

„Ja nou ja, ik vind dat ik over vluchtelingen niet eens zo stellig ben. Ik vind het heel heavy dat het eigenlijk… het is gewoon heel… er zijn nog nooit zo veel mensen op de vlucht geweest op de aarde. Je moet die mensen in nood helpen. Dat is gewoon fatsoen. Ik snap niet wie daartegen is. De tegenstanders weten vaak helemaal niets van de vluchtelingencrisis. Ze kunnen vaak niet eens asielzoekers, moslims en vluchtelingen uit elkaar houden.”

Later: „Ik ben een cabaretier, ik heb de antwoorden niet. Ik weet eigenlijk niet veel van de vluchtelingenproblematiek.” Grappend: „Ik ben erg tegen vluchtelingen maar vluchtelingen zelf ook. Ik wil er al helemaal niet lang over aan het woord zijn. Maar als ik mensen over de crisis hoor praten denk ik vaak: wat bedoel je dan met migratie? Daar zijn al zoveel definities van. Ik wil vooral vragen stellen.”

In je show spreek jij je ook niet duidelijk uit over de thema’s die je behandelt.

„Nee. Ik vind dat zo’n platitude. Ik geloof dat mensen die naar een voorstelling komen geen lesje hoeven in hoe de wereld in elkaar zit. Ik ga niet in een voorstelling zeggen: ‘We moeten dit. We moeten dat.’ Dat is best een arrogante houding.”

Maar dat soort ‘We moeten meer dit-cabaret’ wordt wel gemaakt. Je zou daarvoor kunnen kiezen.

„De klassieke manier van cabaret maken is dat cabaretiers wat stellen en dan gaan ze vervolgens antwoorden geven. Zo van, we zijn met z’n allen dit aan het doen. Ik heb daar een beetje moeite mee. Dan denk ik ‘we’? Al je alarmbellen moeten gaan rinkelen als iemand dat zegt.”

„Ik vind het juist leuk om vast te lopen in het stellen dat iets zo is. Midden in een zin al. Te zeggen: ‘We, nou ja we, sommige mensen, bepaalde mensen, of nou ja, iemand in mijn omgeving.’ Dat is in Theater Toomler ontstaan. Ik wilde iets zeggen, maar was zenuwachtig en het lukte me gewoon niet om een zin af te maken. Op een gegeven moment zei ik tegen het publiek: ‘Er komt uiteindelijk wel echt een werkwoord’. Mensen in de zaal moesten daar hard om lachen.

Later: „Aan het einde van mijn show probeer ik overigens toch wel tegen mensen te zeggen: kom, ga met mij mee. Want we gaan het helemaal anders doen. Dit werkt allemaal niet meer. De aarde gaat eraan. We zijn met steeds meer. Ga met mij mee, ik leid je de weg.”

Je hebt nu al een aantal keer in het interview iets gezegd en dat vervolgens gerelativeerd. Waarom?

„Als ik iets zeg dan denk ik daarna: Nou, nou, tut tut tut, ho ho. Is dat echt zo? Er zitten meer kanten aan.”

Welke ‘mits’ of ‘maar’ plaats je zodat jij toch wel kan zeggen: kom, ga met me mee?

„Door hoe ik er bijvoorbeeld op dat moment uitzie, een figuur die niet bestaat. En ik speel daarnaast de hele show ook een verwarde vrouw die het ook eigenlijk niet weet. Die zegt dat ze een speech gaat houden over het klimaat maar niet eens een zin kan afmaken. Ik hoop dat mensen aan het einde van de voorstelling denken: nou, misschien ga ik wel met haar mee want haar oproep is beyond arrogant. Het is namelijk raar en verwarrend.”

Kleed je je daarom expres zo aan het einde van de voorstellingen? Zodat je deze dingen wel kan zeggen, zonder arrogant te zijn?

„Nou, daar heb je me. Ik denk dat ik met het klimmen der jaren en door het moeder zijn ben gaan lijden aan dat ik steeds beter denk te weten hoe alles moet. Dat ik de neiging heb, en ik doe dat ook daadwerkelijk, om te zeggen: je moet effe met die hond….” Ze lacht hard. „Ik denk dan: het is zo ver, het is gebeurd, ik ben mijn moeder geworden. Of nog erger dan dat. Want ik ben dus echt naar die vrouw met die hond toegegaan. Ze liep enorm tegen het beest te brullen. Ik heb gezegd: ‘Volgens mij moet u het niet zo doen. Nu bent u afhankelijk van de hond en volgens mij moet het andersom zijn.’ Zij boos natuurlijk. (Zet Amsterdams accent op): ‘Nou dat bepaal ik zelf wel.’” Lachend: „Dan denk ik, kijk nou wat er gebeurd is Sanneke Wallis de Vries. Je bent een ouwe taart die tegen de overgang aanhikt en die de hele tijd adviezen aan mensen wil geven.”

Als ik jou zie heb ik het idee dat je je leven met een opgetrokken wenkbrauw bekijkt. Alsof je continu denkt: waar zijn we nou mee bezig?

„Dat is precies de goede vraag ja: wat zijn we in nou aan het doen? Dat past bij mijn Friese aard, maar die neiging is denk ik ook zo gegroeid door het vak. Als cabaretier is het belangrijk om de onzin van de zin te scheiden. Daar zit de grap. Ik geef ook les in comedy en ik zeg vaak tegen die studenten: leef gewoon je leven, maar neem altijd een schrijfblok mee en schrijf daar de dingen op die je maar raar vindt. Dat levert vaak interessante invalshoeken op voor theater.”

Later: „Kijk het is ook makkelijk, dingen onzin vinden, langs de zijlijn wat roepen. Ik ben getrouwd met een cameraman. Die is helemaal beschouwend. Als we samen tv kijken zeggen we nu vaak subtiel over iemand die duidelijk ouder is geworden: jeetje die is ook geen twintig meer. We bedoelen dan: jezus wat is die oud geworden. Maar ik weet zelf ook: het is een kwetsbare positie om ondervraagd te worden. Trek je net een gek gezicht, zeggen honderd mensen op Twitter: wat heeft die een varkenskop.”

Je relativering en het feit dat je veel dingen onzin vindt, zorgen er wel voor dat…

„…je mijn kern niet te pakken krijgt.”

Inderdaad. Een vriendin van jou zei: ik heb er ook wel 32 jaar over gedaan om haar te leren kennen.

Sarcastisch: „Ja dat kan een aantal dingen betekenen. Of ik ben heel veelzijdig, een homo universalis. Of dit is wie ik ben.”

Maar herken je het?

„Ik herken het zeker. Ik hoor vaak van mensen: ik dacht dat jij zo gesloten was, chagrijnig, niet geïnteresseerd, maar je valt eigenlijk heel erg mee. Tja. Wat moet ik daarmee?

„Ik vind het ook raar van jullie allemaal. Dat jullie me moeten doorgronden of zo. Waarom? Ik kom hier heel aardig opdagen. Ik laat een voorstelling zien. Ik probeer echt een serieus gesprek te voeren. Dit is dus gewoon wie ik ben. Ik ben een keer gevraagd om mee te doen aan een artikel van Opzij eind jaren negentig. Het klonk wel oké. Maar toen ik werd gebeld ging die journaliste me allemaal vragen stellen over mijn lievelingsdingen. Ik vroeg op een gegeven moment: ‘Waar gaat dit heen? Al zou ik zeggen; mijn lievelingseten is pizza, wat ga je ermee doen?’ Ik heb uiteindelijk opgehangen. Ja, het is toch de Tina niet.”

Waarom?

„Kijk, ik hou er inderdaad niet van om mezelf vast te pinnen. Maar dan denk ik tegelijkertijd wel, nu heb je me dus. Dat ik geïrriteerd word door dit soort vragen, zegt wel echt wat over mij. Goed geïnterviewd worden is ook een sport. Sommige mensen laten zich naar de slachtbank leiden en geven gedwee antwoord en gaan dan weer weg.”

Met wat voor intentie ging je dit interview in?

„Oké, dan ga ik de beker maar helemaal leegdrinken. Ik wil ook dat mensen naar mijn voorstelling komen dus ik hoop dat ik leuk uit de verf kom. Ik ga volgende week [opname was eind februari] naar OP1. Dan denk ik vooraf: ik hoop dat ik grappig ben. Dat mensen denken, wat een leuke vrouw eigenlijk, ik ga kijken wanneer ze speelt. Ik ga er niet heen om politiek degelijke opmerkingen te maken. Laatst was ik op de radio bij Gijs 2.0 en hij vroeg: waar gaat je voorstelling over? Dat vind ik dan zo’n moeilijke vraag. Mijn voorstelling is een belevenis, met dans, liedjes, bewegingen, klanken en natuurlijk ook grappen, anders is het geen cabaret. Maar ja, hoe breng je dat over? Ik zit ook nog in het maakproces, dan kan ik nog zo slecht op mijn show reflecteren.”

Laat ik de vraag anders stellen: hoe wil je dat mensen de zaal verlaten?

„Als ik iets wil zeggen dan is het iets als. Nou. Je kan echt meer bewerkstelligen in je eigen leven dan je denkt. Je hoeft niet vast te zitten, misschien zeg ik meer tegen mezelf hoor, in de voorstelling, maar je kan… Kijk de structuren waarin we leven.” Stilte.

Komt er nog een werkwoord?

Lachend: „Jeetje. Ik denk dat je mij moeilijk kan grijpen omdat ik blijkbaar een hele voorstelling moet maken om te zeggen wat ik bedoel.”

Het vrouwelijke

Dit moodboard maakte ik ooit. Op intuïtie, als kompas in mijn leven. Toen het af was, was ik verbaasd. Waar waren de zonnepanelen? De henneptruien? Ik keek ernaar en zag heel duidelijk in elk plaatje ‘het vrouwelijke’.
Inmiddels begrijp ik het meer. In vechten voor het vrouwelijke zit alles wat ik belangrijk vind. Het feminiene is eeuwenlang belachelijk gemaakt. Kwaliteiten die we vrouwelijk noemen zijn als tweederangs, verboden of zwak bestempeld. Terwijl intuïtie, empathie, samenwerking, introspectie zo’n zachte kracht zijn. Maar tot voor kort waren ze alleen binnenshuis nodig.


Kijk wat dat ons heeft gebracht. Een vervuilend veel te rationeel, uitputtend economisch systeem dat dieren mishandelt, de aarde verwoest en mensen op laat branden. De kwaliteiten die vroeger alleen binnenshuis nodig waren, moeten naar buiten. We moeten zachter worden, anders verzuipen we in ons eigen egoïsme (Ironie. Pas vechten tegen egoïsme als het onszelf raakt).


Hoe? Veel spirituele cursussen proberen ons vrouwen ‘het vrouwelijke’ te laten omarmen. Ik heb bij workshops gestaan waar ik een oerkracht in me heb gevoeld die ik niet kende. Maar de feminist in mij wordt daar dan ook wel weer opstandig van. Hoezo worden wij vrouwen met bepaalde eigenschappen geboren en mannen niet? Het doet de mannen met een groot hart die ik daarom zo liefheb, zo tekort.
Mijn interne debat komt neer op een eeuwenoude vraag: zijn vrouwelijke kwaliteiten aangeboren of zijn we als vrouw gevormd door de maatschappij? Ik denk inmiddels dat we dingen veel te veel hebben aangezet. We hebben persiflages van onszelf gemaakt. De vrouw zacht binnenshuis, de man hard buitenshuis. Terwijl het moet mengen. In ons en buiten ons.


Wij vrouwen zijn daar al een eeuw mee bezig. Dat is een gevecht want de norm is mannelijk. Maar soms denk ik, hebben we eigenlijk geen voorsprong? In het samensmelten van het mannelijke en het vrouwelijke. We vechten al tijden. Maar hoeveel plek krijgt ‘de man’ nu om zacht te zijn?
Dus ja, leve de vrouw! Maar leve vooral de zachte krachten. Die zitten gelukkig in ons allemaal.

Deze liedjes hoor je niet meer op de radio

Kleinkunst op de Radio De Annie M.G. Schmidtprijs, die deze zondag wordt uitgereikt, is in de theaterwereld een prestigieuze onderscheiding. Maar op de radio worden de bekroonde nummers amper gedraaid.

Kiki Schippers knalde vorig jaar tijdens de uitreiking van de Annie M.G. Schmidtprijs de zaal in met haar lied over vluchtelingen ‘Er spoelen mensen aan’. Het lied was volgens de jury „geheimzinnig, actueel, beeldend geschreven en indringend gezongen”. Ze won.

De keren dat Schippers daarna op de radio werd gedraaid? Bij NPO Radio 2 mocht ze een keer langskomen bij Spijkers met Koppen, ze zat bij Met het Oog Op Morgen op NPO Radio 1 en werd een enkele keer gedraaid op NPO Radio 5.

Dat is exemplarisch. Theaterliedjes worden nauwelijks nog op de radio geprogrammeerd – op commerciële radiozenders klinken voornamelijk Engelstalige popliedjes. NPO Radio 2 zond tien jaar geleden nog verschillende cabaretprogramma’s uit maar Het circus Jeroen Bosch en Ha! Die Yora verdwenen de afgelopen jaren van de zender. De programma’s Andermans Veren en Volgspot verhuisden in 2010 naar het minder goed beluisterde Radio 5 met luistercijfers van 3,5 procent. NPO Radio 2 heeft momenteel een aandeel van 13 procent.

Waarom verliezen theaterliedjes aan populariteit op de radio? Samensteller Basyl de Groot van NPO Radio 2 en Jan-Willem van Engelen, zendermanager van Radio 2 en 5, twijfelen. De Groot: „We denken niet in termen als ‘kleinkunst, jazz of hiphop’. De vraag is vooral: wat doet een lied met je? Neem bijvoorbeeld Jamai, die heeft een nieuwe Nederlandstalige plaat uit en daarop staat een liedje dat hij na een lange nacht, licht aangeschoten, heeft opgenomen. Het liedje is heel ingetogen en breekbaar, wij kregen er kippenvel van. Is dat kleinkunst?”

Over de term kleinkunst is discussie. Veel theatermakers definiëren het theaterlied als een lied met ‘betere teksten’ en ‘een verhalende structuur’. Maar een poëtisch liedje als ‘Dat ik je mis’ van Maaike Ouboter wordt ook vaak gezien als ‘kleinkunst’.

Ondanks de definitiediscussie zijn radiokenners het er wel over eens. Van Leo Blokhuis (popjournalist en radiopresentator), Jacques Klöters (radiopresentator en producer van Andermans Veren en voorzitter van de jury van de Annie M.G. Schmidtprijs), Ferry Roseboom (directeur van Excelsior Recordings een groot Nederlands platenlabel) tot Herbert Visser (de baas van 100% NL), ze beamen allemaal: het theaterlied wordt minder gedraaid.

Dat is zonde, vindt Klöters. „Als je nu luistert naar de liedjes uit de jaren zestig en zeventig dan hoor je welke onderwerpen speelden in ons land. Op de radio hoor ik nu vooral voorgekookte emoties en steeds harder en hoger zingende meisjes. Waar het over gaat, geen idee. Ik vind dat een verschrikkelijke ontwikkeling.”

In de jaren tachtig verloor kleinkunst volgens Klöters op de radio al aan populariteit. „Platenmaatschappijen kwamen in buitenlandse handen. Zij plugden geen Nederlandse liedjes meer maar buitenlandse hits. Kleinkunst is toen in een reservaat gedwongen. Waar het theaterlied eerst bij alle programma’s werd gedraaid, klonk het vanaf die tijd voornamelijk nog bij specifieke programma’s. Die zijn nu ook verdwenen.”

Nieuwe klank Radio 2

Kleinkunstartiesten balen vooral van het nieuwe beleid van NPO Radio 2. Die zender is veranderd van klank. Van Engelen: „Onze taak als publieke omroep is om alle leeftijdsgroepen te bedienen. NPO Radio 5 is de ouderenzender, 3FM de jongerenzender en NPO Radio 2 de familiezender. Dat liep te veel door elkaar. We hebben de zenders een sterker profiel gegeven waardoor programma’s zijn verhuisd.”

Samensteller De Groot: „Daarnaast is het een wereldwijde trend dat radiostations minder gespecialiseerde programma’s uitzenden. We hadden op 3FM een hiphop-programma, maar waarom zou je als je fan bent van hiphop wachten tot donderdagavond? Op internet staan genoeg playlists.”

Bij 100% NL domineert de Engelstalige popmuziek niet, maar ook daar worden nauwelijks theaterliedjes gedraaid. Visser: „Als commerciële radiozender moet je reclame-inkomsten genereren om te kunnen bestaan. De mediabureaus die de reclamegelden verdelen, plannen op de doelgroep van twintig tot en met vijftig jaar oud. Als we een liedje beluisteren en we hebben het idee dat dat nummer niet gewaardeerd wordt door die doelgroep, dan komt het niet op de playlist.”

De argumentatie van de radiobazen frustreert cabaretière Kiki Schippers. „Ze zeggen eigenlijk dat theaterliedjes niet toegankelijk zijn voor het grote publiek en dat vooral bejaarden ervan houden. Onzin. Er zijn echt genoeg luisteraars die liedjes waarderen die verder gaan dan ‘ik hou van jou want je ogen zijn zo blauw’. Maar hoe komen die mensen in aanraking met dat soort muziek? Zij moeten eerst 20 euro betalen voor een vaak nog onbekende artiest die bij hen in het theater staat. Radio is laagdrempeliger.”

Volgens Schippers is het een kip-ei-probleem. „Als je nooit naar Bulgaarse koren luistert en Radio 2 start opeens een stuk in, zullen mensen zich ook rot schrikken. Maar een poos geleden waren die koren juist hartstikke hip. Had niets te maken met goede of slechte muziek, alleen met wat in de mode is. Ik denk vooral dat kleinkunst een imagoprobleem heeft. Velen denken bij hedendaagse kleinkunst aan Wim Sonneveld, maar dan loop je hopeloos achter.”

Samensteller De Groot denkt dat radio steeds meer een achtergrondmedium is geworden. „Theaterliedjes komen het beste tot hun recht in het theater, waar je een publiek hebt dat aandachtig luistert. Als artiesten komen pluggen, zeggen ze vaak: dat liedje doet het zo goed live. Maar wat live goed werkt, is vaak niet geschikt voor de radio. Wat ook meespeelt: de ballad heeft het moeilijk. Radio moet vrolijk en energiek klinken. Ballads passen daar minder in. Theaterliedjes zijn vaak ballads.”

Bij 100% NL programmeren ze muziek die je kunt opzetten als je ‘bijvoorbeeld op een ladder staat te verven’. Volgens Visser moet de productie van liedjes daarom gelikt zijn. Visser: „Als je voor de radio muziek maakt, moet het goed klinken door wat boxen. Met een toetsenist, zangeres en gitarist ben je er niet. Liedjes produceren is een vak.”

Dat is volgens cabaretière Mylou Frencken, genomineerd voor de Annie M.G. Schmidtprijs van dit jaar, „wel een gedoetje”. Uit frustratie over de teloorgang van het genre op de radio maakte ze vorig jaar het boek Leven in het lied, waar ze haar liefde uitspreekt voor het ‘betere Nederlandstalige lied’. Ze interviewde voor het boek 25 collega’s. Daaruit bleek ook dat kleinkunstenaars het niet echt breed hebben. „Mijn laatste cd is van zes jaar geleden en die kostte 8.000 euro. Ik kan dat niet zomaar nog een keer betalen.”

Kiki Schippers schudt haar hoofd: „Dus een goede productie zou de sleutel zijn tot gedraaid worden op 100% NL? Dat geloof ik niet. Ik heb een aantal keer een cd gemaakt met echt goede producers en muzikanten. Toch word ik niet gedraaid. Ik wil niet als een zeurpiet klinken, maar ik heb het niet alleen over mijzelf. Ook andere artiesten die echt mooie dingen maken, hoor ik niet.”

Taak publieke omroep

De maatschappelijke functie van de Publieke Omroep ligt voor de televisie strak vast, in de Mediawet staat dat de NPO verplicht tijd moet besteden aan informatie, cultuur en educatie. In diezelfde Mediawet staat niets over het verplicht afspelen van specifieke genres op de radio. Zou dat moeten?

„Ja”, zegt Kiki Schippers. Ze zou graag zien dat NPO Radio 2 quota krijgt, geïnspireerd op de Vlaamse publieke omroep. Radio 2 is daar verplicht 30 procent van de tijd Nederlandstalige muziek uit te zenden. Bij Radio 1 is dat 15 procent. „Daar hoor je veel gevarieerdere Nederlandstalige muziek. Van Nederlandstalige hiphop tot kleinkunst.”

Uit onderzoek van NRC aan de hand van de playlist van NPO Radio 2 op internet, blijkt dat de zender in heel 2017 tussen zes uur ’s ochtends en 10 uur ’s avonds rond de 5 procent Nederlandstalige liedjes heeft gedraaid. Opvallend is dat 6 procent van alle Nederlandstalige nummers wordt gezongen door vrouwen. Minder dan een half procent van alle muziek op NPO Radio 2 komt dus van Nederlandstalige zangeressen.

NPO Radio 2 ziet niets in overheidsquota. Van Engelen: „We streven er zelf naar dat 25 procent van al onze muziek komt van Nederlandse artiesten. We draaien Tim Knol, Blaudzun, Chef’Special en Ilse DeLange en steunen ook acts als Johan, Wende en Judy Blank. Die hoor je echt niet snel elders. Maar we willen ook relevant zijn door als brede zender een groot publiek te bereiken. Als onze doelgroep veel behoefte zou hebben aan kleinkunst, zouden we dat direct meer programmeren, maar zoveel vraag is er niet naar.”

Voor de artiest die volgend weekend de Annie M.G. Schmidtprijs wint, zit grijs gedraaid worden op de radio er waarschijnlijk niet in. De winnaar krijgt wel het prijzengeld van 3.500 euro. Geld dat voorgangers vaak in een cd staken. Maar zo’n album zal waarschijnlijk vooral hun fans bereiken. De tijd dat theaterliedjes veelvuldig werden geprogrammeerd op de radio is voorbij.

Hoe word ik grappig?

Wie aan stand-upcomedy wil doen kan op les gaan. „Grappen schrijven kan je trainen.”

Het is april 2018 en ik sta op een podium. Een groep van tien onbekenden bekijkt me van top tot teen. „Je bent denk ik vegetariër”, „Jij eet van die vieze maar gezonde ontbijtjes met bessen enzo”, „Je houdt van cultuur”, „Je hebt een vriend maar je bent niet getrouwd”, „Je bent een renchick”, „Je woont in Hilversum ofzo.”

Ik ben totaal verbaasd, de eerste indruk die zij van mij hebben klopt bijna helemaal. ’s Ochtends maak ik inderdaad met amandelmelk en boekweitvlokken een ontbijt dat zo stevig is dat je er ook een muurtje mee zou kunnen metselen. Ik heb fanatiek aan atletiek gedaan. Dieren eet ik niet meer sinds mijn vijftiende. Trouwen ga ik niet, al woon ik al jaren samen. Ik schrijf voor de cultuurredactie van NRC. Enige fout: ik woon niet in Hilversum, wel in Heemstede. Net zo wit, net zo rijk, net zoveel mensen lid van de hockeyclub.

Het is de eerste oefening van de comedycursus van Roel C. Verburg, gitaarkomiek en stand-upcomedian bij het Amsterdamse Comedy Cafe, waar ik aan meedoe. Ik wil grappig worden, maar ja, hoe doe je dat? De cursus zit al jarenlang elk kwartaal helemaal vol. De deelnemers, onder wie verplegers, engineers en socialemediaconsultants, willen niet allemaal net als ik op het podium staan, maar wel graag leren hoe ze grappig kunnen worden. Ook veel nieuwe bekende namen in de comedyscene begonnen bij Verburg, zoals Kasper van der Laan, winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2018, en Tex de Wit, schrijver bij Zondag met Lubach. Verburg: „Ik pretendeer niet dat je meteen comedian wordt met uitverkochte zalen”, zegt Verburg, „ik kan mensen niet grappig maken, alleen wel grappiger.”

De eerste oefening over de eerste indruk is belangrijk, legt hij uit. „Als iemand die heel dik is zegt ‘ik moet op dieet’, dan kunnen mensen lachen uit herkenning. Als iemand heel dun is en dat zegt , weet je dat de grap ironisch is bedoeld. Maar ik had een comedy-collega die niet heel dik was en die zei dat hij op dieet moest. Je hoorde het publiek denken: is dat zo? Huh? En dan werkt je grap dus niet.”

Toch wordt het belang van die eerste oefening veel comedians pas na veel optredens duidelijk. Mij ook. Wel meteen toepasbaar is de definitie van een grap: een doorgaans logisch maar onverwacht vervolg. Of de tip dat het belangrijkste woord in een grap altijd aan het einde van de zin moet.

Mindmappen en associëren

Verburg raadt aan om te gaan mindmappen, associaties zijn enorm belangrijk voor grappen. „Vooral voor een onderwerp dat je boeit of dat jou typeert.” Ik denk na over mijn hobby’s en weet meteen welk woord ik op mijn kladblok moet schrijven: klimaatverandering. Ik maak lijntjes met Shell, olie, CO2, smeltende ijskappen, ijsberen, gas, Groningers, Freek de Jonge. Hilarische onderwerpen voor comedy natuurlijk.

Even daarvoor heeft Verburg een aantal woorden opgeschreven: zelfspot, vergelijking, tegenstelling, projectie, typetje, herkenning, afzeiken, de waarheid, vergroting, 1-2-3’tje, understatement: grapvormen waar je je associaties in kunt gieten. Verburg: „Als ik nu een grap wil maken, pak ik deze lijst er natuurlijk niet meer bij. Heel af en toe denk ik nog: deze grap werkt niet, moet ik de vorm veranderen? Laatst had ik een 1-2-3’tje bedacht. Ik had: sommige mensen geven fooi in een café, anderen in een restaurant en ik geef fooi in een bank. Dat werkte niet. De vergelijking die ik daarna maakte werkte ook niet. En toen dacht ik, ik moet gewoon zeggen wat het is: ik geef graag fooi aan mensen die nooit fooi krijgen, ik geef bijvoorbeeld fooi in een bank. Dat werkte wel, de gedachte zelf is al een onlogisch vervolg.”

Jasper van der Veen won dit jaar het Leids Cabaret Festival. Hij volgde niet de hele cursus bij Verburg maar wel een paar lessen: „Die brachten techniek in het warrige verhaal dat ik als beginnend comedian aan het vertellen was.” Ook Gerthein Boersma, redacteur bij Dit Was Het Nieuws en oud-schrijver bij Zondag met Lubach, kreeg les van Verburg: „Het was superfijn, maar daarna begon het echte werk.” Een van de uitdagingen voor comedians is puzzelen met de kloof, het verschil tussen de opbouw van een grap en de inkopper. Boersma: „Die kloof moet niet te klein zijn, anders is de clou niet onverwacht. Maar ook niet te groot, want dan moet het publiek zelf te grote stappen maken. En soms is het ook leuk als niet iedereen je grap begrijpt. Ik had ooit deze: ‘Roel van Velzen heeft gezegd dat het leven net is als een rollercoaster. Maar hoe weet hij dat nou?’ Vaak lachte maar de helft. Als ik in een gulle bui was legde ik uiteindelijk uit dat Van Velzen niet in achtbanen mag. Dan lachte de andere helft.”

De weken na de theorieles gaan we met z’n allen spuien, verfijnen, schrappen en voor elkaar optreden . Ik schrijf dingen op die ik opvallend vind: Groningers die koken op gas, of dat ik om milieuredenen liever niet in een vliegtuig zit en daarom mijn schoonouders uit Portugal maar hiernaartoe laat komen. Na tien weken mag ik tien minuten optreden. Het publiek lacht hard. Op dat moment weet ik één ding zeker: ik ben echt absurd grappig.

Ik mag vaker spelen. Bijvoorbeeld begin december 2018 in een dorpscafé in Wijdenes, een dorpje vlakbij Hoorn met 1.300 inwoners. Ik begin weer voortvarend met mijn klimaatgrappen. Aan de bar zit een man met klompen aan. Hij draait zich na de eerste opmerking hoofdschuddend om. De zaal is voor de rest doodstil. Ik denk alleen maar: wat doe ik hier? Hoezo dacht ik dat ik grappig zou kunnen zijn? Waarom zit ik niet in mijn onesie thuis op de bank de herhaling van Heel Holland Bakt te kijken?

Grappig zijn is meer dan grappen schieten

Ik leerde die avond in december op een vrij pijnlijke manier: grappig zijn is meer dan grappen schieten. „Grappen schrijven is een bepaalde manier van denken en dat kan je goed trainen”, vertelt de Nederlandse hoogleraar cultuursociologie Giselinde Kuipers die sinds kort werkt aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ze deed jarenlang onderzoek naar humor. „Maar grappig zijn is eigenlijk een recept waarbij je verschillende ingrediënten moet doseren. Heel belangrijk is dat een comedian de zaal goed aanvoelt. Maak verbinding en reageer op de signalen van het publiek. Je zegt eigenlijk: ik ga met jou mijn wereldbeeld delen en ik hoop dat je meegaat. Maar je moet continu checken of ze wel mee zijn.” Een grap heeft ook altijd iets grensoverschrijdends. „Het is wel zoeken naar een balans. Als je meteen losgaat, kan het publiek denken: wat is dit voor hufter? En over sommige groepen mag je hardere grappen maken dan over andere.” Waarom? Door ingrediënt nummer drie: „Humor haalt dingen omlaag. Als je grappen maakt over mensen die een zwakkere positie hebben in de maatschappij kan het publiek denken: dit vind ik niet meer grappig. Maar mensen vinden het juist wel grappig als je machthebbers uitdaagt.” Kuipers: „Ten slotte moet je iets met je uiterlijk of met je stem doen waardoor mensen begrijpen dat je niet serieus bent. Maar dat verschilt ook per opleidingsniveau van het publiek.”

Ik denk terug aan mijn avond in Wijdenes en er vallen kwartjes. Ik vermoed dat het dorp met meer koeien dan inwoners mij bij mijn eerste zin al kwijt was: „Hallo ik ben Anouk, ik ben een idealist en ik eet geen vlees.” Ik ben na die realisatie in de war, betekent dit dat ik mijn materiaal dan moet aanpassen aan het publiek?

„Nee”, zegt Van der Veen. „Comedy wordt juist interessanter als je je eigen verhaal vertelt. Ik heb een beetje idealeschoonzoonuitstraling en mijn optredens gingen daarom nooit fout, mensen moesten altijd wel lachen. Maar bij mij ging nooit het dak eraf. Ik heb nu geleerd om nog persoonlijker te worden en daarmee ook grensoverschrijdender. Dat betekent dat mensen mij soms echt niet trekken. En ja, ik moet daarom harder werken om hen voor me te winnen. Maar als dat nu lukt, lachen ze zoveel harder.” Hij schrijft zijn materiaal ook anders. „Vroeger ging ik in een café zitten, keek ik om me heen, zag een lamp hangen en dacht ik: wat zou het publiek daar grappig aan vinden? Nu denk ik: wat wil ik zeggen?”

Je eigen verhaal mengen met het beeld dat andere mensen van je krijgen, is dat wat een goede comedian doet? Ik denk na over mijn eigen persoonlijkheid. Ik ben een veel te fanatieke, dunne veganist die vrij streng is voor zichzelf en voor de mensen om zich heen. Dat moralisme vinden sommige mensen in het publiek natuurlijk superfrustrerend. Ik besluit de frustratie die ik opwek te gebruiken in mijn optreden. Het publiek lacht direct om mijn nieuwe introductie. Even denk ik weer dat ik het heb begrepen.

Maar dat kan ik wel vergeten, lacht Van der Veen. „Uiteindelijk heb ik ook weer veel losgelaten van wat mensen adviseerden: iedereen is namelijk op zijn eigen manier grappig. Als comedian moet je om beter te worden de hele tijd dingen uitproberen waar het publiek niet altijd meteen goed op reageert. En als je een aantal goede avonden hebt gehad en denkt dat je eindelijk begrijpt hoe comedy werkt, gaat het de volgende keer weer helemaal mis.”

Hoezo zijn vrouwen niet grappig?

Een nieuwe lichting vrouwelijke cabaretiers stuit nog op het vooroordeel dat vrouwen geen humor hebben.

Als cabaretier Anne Neuteboom (28) naar de kapper gaat, verzint ze vaak een excuusberoep. „Ik vind het moeilijk om te zeggen dat ik cabaretier ben. Mensen vragen: ‘Vertel eens een grap’. Of ik hoor: ‘Echt? Ik vind vrouwen niet grappig’.”

Maya van As (27) werd feminist op het podium. Te vaak kreeg ze een seksistische opmerking naar haar hoofd na haar voorstelling. „Ik deed een keer mee aan een improvisatie-uitvoering. Aan het einde kwam er een man naar me toe die in mijn wangen kneep en zei: ‘Nou je hield je goed staande tussen die mannen hè’. Ik stond perplex.”

Eva Crutzen (30) krijgt na bijna elke voorstelling ‘een drol in de vorm van een compliment’. „Dan komt er iemand naar me toe die zegt: ‘Ik vind vrouwen niet grappig’. Om daaraan toe te voegen: ‘Maar jou wel’.”

Een nieuwe generatie jonge vrouwelijke cabaretiers bestormt sinds een paar jaar het cabaretpodium. Ze treden in het spoor van een bescheiden groep vrouwelijke cabaretiers die doorbrak naar een groot publiek, onder wie Brigitte Kaandorp, Lenette van Dongen, Claudia de Breij, Sara Kroos, Sanne Wallis de Vries en Paulien Cornelisse. De nieuwe lichting is geboren in de jaren 80 en 90 en vaak opgegroeid met andere rollenpatronen dan de generatie daarvoor. Ze merken echter dat een deel van het publiek vasthoudt aan een onuitroeibare overtuiging: vrouwen zijn niet grappig.

Van As: „Ik ben door mijn ouders opgevoed met de gedachte dat het niet uitmaakt of ik man of vrouw ben, maar ik merkte na een optreden dat ik op mijn vrouwelijkheid werd beoordeeld, niet alleen op mijn grappen. Kijk het is hier geen Saoedi-Arabië, ik denk dat ik evenveel kansen krijg van theaters en impresariaten als mijn mannelijke collega’s, maar het is een soort sluimerende overtuiging die invloed heeft op het publiek en die zich uit in seksistische opmerkingen achteraf. Ik heb daarom het idee dat ik harder mijn best moet doen om het publiek voor me te winnen.”

1-0 achter

Giselinde Kuipers is cultuursocioloog aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in diverse landen onderzoek gedaan naar humor en was jarenlang hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift HUMOR. Volgens haar belemmert de overtuiging van het publiek vrouwen op het podium. „Vrouwen staan onbewust 1-0 achter. Humor is immers een afspraak. Als publiek moet je een besluit nemen voordat je de zaal in gaat: alles wat nu wordt gezegd, wil ik leuk vinden. Negatieve overtuigingen over vrouwen en humor zorgen ervoor dat het publiek onbewust minder enthousiast reageert.”

Feit is dat vrouwen minder vaak hun brood verdienen met grappen maken op een podium. Dit seizoen telt cabaretwebsite Zwarte Kat vier keer zoveel mannen als vrouwen op het cabaretpodium: 24 vrouwelijke acts tegenover 92 mannelijke; naast 6 gemengde groepen. Een vergelijkbare verdeling vertonen de drie grote cabaretfestivals: bij het Amsterdam Kleinkunst Festival, Leids Cabaret Festival en Cameretten, gaan vrouwen er veel minder vaak met de winst vandoor. Terwijl cabaretcarrières vaak daar beginnen.

Hoe kan dat? Volgens evolutionair psycholoog Gill Greengross van de Universiteit van Wales blijkt uit zijn onderzoek dat grappen van vrouwen minder gewaardeerd worden. „We hebben onderzoek gedaan waarbij mannen en vrouwen anoniem grappen op moesten schrijven en die lieten we lezen aan proefpersonen. Wat bleek? De grappen van mannen werden leuker gevonden.”

Zijn verklaring is evolutionair. „Het is belangrijk voor mannen om grappen te maken. Humor is onbewust gerelateerd aan voortplanting. Vrouwen zijn kieskeurig in het uitzoeken van hun partner, omdat ze een man willen die goed voor het nageslacht zorgt. Voor vrouwen is het daarom belangrijk dat ze een intelligente man kiezen. Uit onderzoek blijkt dat humor een goede graadmeter is voor iemands intelligentie. Kort door de bocht is de conclusie: mannen maken grappen, vrouwen lachen daarom.” Giselinde Kuipers kent de cijfers. „Sociologen, antropologen en taalkundigen doen regelmatig onderzoek naar gesprekken uit het dagelijks leven. Daaruit concluderen ze dat in veel interacties vaker om mannen wordt gelachen dan om vrouwen.’’

Maar Kuipers heeft moeite met de verklaring van Greengross. „We lachen sowieso minder om vrouwen, ondanks het niveau van de grap.” Daarnaast leren vrouwen niet om grappig te zijn. „Dat mannen grappen maken en vrouwen lachen is iets wat we geloven, en daarom wordt het waar.” En er is nieuw onderzoek dat uitwijst dat de verschillen minder sterk worden. „In enkele studies uit Australië en Nieuw-Zeeland vonden de onderzoekers dat om de grappen van vrouwen vaker gelachen wordt.”

Machtsgreep

Humor heeft ook te maken met macht. Kuipers: „Het maken van een grap is een soort machtsgreep. Het is een vrij dwingende manier van jezelf presenteren. Veel onderzoek laat zien dat we sneller lachen om mensen die we meer macht toekennen. Zo lachen we eerder om de grap van de baas dan om die van een collega. En in veel samenlevingen hebben vrouwen een lagere status.”

Een obstakel is ook dat we graag lachen om grappen die grof zijn. Kuipers: „Veel humor is grensoverschrijdend en taboedoorbrekend en dat zien wij niet als ‘vrouwelijk’.” Vrouwen moeten die weerstand overwinnen. „Van vrouwen wordt verwacht dat ze lief en mooi zijn en dat ze morele grenzen bewaken. Dus mannen worden beloond om grappig te zijn, terwijl vrouwen er onbewust een beetje op worden aangekeken. Dan moet je als vrouw wel heel graag deze kwaliteit willen ontwikkelen.”

Van As herkent de redenering. Na een voorstelling kwam een keer man naar haar toe. „Hij zei: ‘Wat was je grof voor een meisje. Terwijl je zo mooi bent. Wat zonde’.” Ze schrok ervan. „Dat verrast mensen. Vroeger werd humor vaak gekoppeld aan lelijkheid. Komisch zijn was gekke bekken trekken of mensen een podium geven die afweken van het schoonheidsideaal.”

Grof zijn, is dus niet ‘vrouwelijk’. Paradoxaal wordt vrouwelijke cabaretiers verweten te zachte grappen te maken, legt Van As uit. „Mensen hebben het vaak over ‘vrouwencabaret’. Ik vroeg ooit aan iemand wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Oppervlakkig en inhoudsloos cabaret’. Dus als vrouwen slecht cabaret maken, heet het vrouwencabaret. Als mannen slecht cabaret maken, vinden mensen het gewoon slecht.”

Bekijk hier Eva Crutzen:

Crutzen: „Ik snap wel waar het vandaan komt. Ik vond ook dat er een periode was waarin veel vrouwelijke cabaretiers op het podium stonden met zeikonderwerpen. Vrouwelijke kwaaltjes en gedoe. Maar dat is allang niet meer. Cabaretiers als Brigitte Kaandorp, Louise Korthals en Martine Sandifort praten over de grote thema’s van het leven: liefde, dood, loslaten, eenzaamheid. Zeggen dat vrouwencabaret oppervlakkig en inhoudsloos is, is dom en generaliserend. Ik begrijp eigenlijk niet dat ik dat uit moet leggen.”

De drie denken dat de kijk op vrouwelijke cabaretiers zal veranderen nu er steeds meer vrouwen het podium op klimmen. Crutzen: „Het is een natuurlijk proces. Dat zorgt ervoor dat jonge meiden meer inspiratiebronnen hebben en er sneller voor kiezen cabaretier te worden. Mensen leren vanzelf dat er niet zoiets bestaat als ‘de vrouwelijke cabaretier’.”

Maandelijkse nieuwsbrief

‘God Anouk, wat doe jij veel, ik kan het allemaal niet bijhouden hoor.’ Tada, daar is deze nieuwsbrief voor. Eens per maand stuur ik je een mail met al mijn artikelen, podcasts, columns, vlogs en komende voorstellingen. Heel af en toe misschien twee keer in de maand, als er iets speciaals is. Maar wees niet bang, gezien mijn karakter vermoed ik eerder dat het een keer in de twee maanden is.

Verwerken…
Gelukt! Je staat op de lijst.