Sparen voor later

Het was een feest om naar mijn zakgeld in mijn blauwe Pennie-spaarpot te kijken. Eerst rolden de vijfguldenstukken langzaam naar hun plek, daarna de rijksdaalders, de pieken en de dubbeltjes. Lang bleef het geld er niet in. Vaak leegde ik mijn spaarpot al snel om dropjes en lolly’s bij de sigarenwinkel op de hoek te kopen. Sparen voor later, daar deed ik niet aan.

Ik moest volwassen worden, vonden mijn ouders en dus leren omgaan met geld. Net op het moment dat ik wat meer ging sparen, veranderde mijn bank van naam. De Postbank werd ING.

Die bank ligt nu onder vuur. ING investeert in een oliepijpleiding die dwars door het grondgebied van een indianenstam gaat. Uiteindelijk ging het allemaal niet door toen Obama de stekker uit het project trok. Nu Trump de pijpleiding nieuw leven inblaast, verklaart ING niet onder haar investering uit te kunnen komen. Ze maakt zich wel zorgen en wist niet dat de indianen tegen de pijpleiding zijn.

Krokodillentranen. Waarom investeert ING überhaupt in olie? Is dat ook sparen voor later, geld stoppen in projecten die de aarde niet sparen? Hoe wrang is het als spaargeld daarin wordt geïnvesteerd? Kinderen kunnen hun spaarpot dan beter plunderen voor een zakje snoep.

Verschenen in Haarlems Dagblad

Kerstmagie

Ik kon als kind blijven kijken naar houten poppetjes die ronddraaiden op een schaatsbaantje. Het draaimolentje stond jarenlang bij ons met kerst op de open haard. Ik dacht eraan toen ik deze week met mijn moeder in het tuincentrum liep en bleef staan bij een winterwonderland. Ik zag een koortje dat zong in de sneeuw en een haardvuurtje waar een familie omheen zat. ,,Ik zou willen dat de wereld zo was”, verzuchtte ik tegen mijn moeder.

Ik hield als kind van kerst. Van mijn ouders die ’s ochtends naar beneden slopen, kerststol klaarmaakten, kaarsen op tafel zetten en uiteindelijk een kerst-cd aanzetten. Bij de eerste tonen sprongen mijn zussen en ik dan uit bed en dansten we door de woonkamer.

Toen ik bijkwam van die overpeinzing stond ik met mijn moeder tussen de afgeprijsde kerstballen in het tuincentrum. Het tl-licht deed pijn aan mijn ogen.We snelden naar huis en gingen aan de slag. Na een tijdje keken we naar de boom. Hij leek wel aangevallen door kerstballen, zo vol zat-ie. Mijn moeder probeerde de schade te beperken terwijl ik in de kerstdozen naar de draaimolen zocht. Tevergeefs. Ik keek naar buiten, het sneeuwde niet.

Met een gevoel van weemoed, plofte ik op een stoel. Hoe ouder je wordt, hoe meer de magie verdwijnt, dacht ik. Kon ik het maar terug toveren. Mijn moeder leek mijn gedachten te lezen. Opeens hoorde ik de bekende tonen. En daar, zingend en zwierend met mijn moeder door de woonkamer, voelde ik het even; de magie van kerstmis.

Deze column verscheen eerder in de kranten van Holland Media Combinatie

En nu wat vroluks!

De fantastische tekenares Maria van Eldik heeft een boekje gemaakt met lachende varkentjes, vogeltjes met mutsjes op hun hoofd en lieve hertjes. Ik heb een gedichtje voor het boekje geschreven. Boekje ‘en nu wat vroluks!’ is te koop op:

BOEKJE

Achterop de fiets

,,Anouk, hoe zit ik achterop een fiets?”, vraagt mijn vriendje als ik in de tuin achter mijn computer zit. Hij gaat vanavond voetbal kijken in Amsterdam en slaapt daarna in het huis van een vriend, vijf kilometer verderop.  ’s Nachts om drie uur door de stad slenteren, is geen optie, hij moet daarom achterop.

Maar waar wij als Nederlanders eerder op een fiets zitten dan dat we kunnen lopen, hangen ze in Portugal tot hun 18e achterin een auto. Fietsen doen ze niet (Commentaar vriend: ,,Ja lekker makkelijk, het is hier helemaal plat. Als ik daar naar het centrum fiets, moet ik elke keer in 40 graden een soort Mont Ventoux  beklimmen. Bezweet als een otter kom ik dan aan.”).

Ze hebben wat gemist. Liefdes ontluiken op het bagagerek. De spanning in je buik als je bij die ene jongen achterop mag zitten, het vastpakken van zijn middel, zijn warme huid door de stof voelen, je hoofd net even te dicht op zijn billen en dan de hele rit veinzen dat je bijna valt, zodat je hem niet los hoeft te laten. Ik krijg er nog de kriebels van.

,,O ja, makkelijk. Dat kan iedereen”, zeg ik hem. ,,Pak eerst de heupen vast. Dan ren je even met de fiets mee en vervolgens spring je op de bagagedrager.” Ik doe in de lucht een sprongetje. Hij doet me na, althans een poging tot. Met twee benen zet hij af en maakt in de lucht een rare beweging.

De atletiektrainer van vroeger komt in mij naar boven. Ik schud mijn hoofd. ,,Nee, je moet wel met een been afzetten, anders kom je als een bom op de fietsendrager terecht.” Hij probeert het nog een keer, zet met het been naast de fiets af en draait zijn lichaam in een vreemde hoek. Ik kijk afkeurend en zucht. ,,Nee, andere been afzetten.” 

Nog een zucht. Nu van hem. ,,Misschien is het handiger als ik mijn fiets erbij pak. Je lichaam zal dan wel begrijpen wat ik bedoel.”, opper ik. Dat is niet alleen om hem op te vrolijken, ik denk ook echt dat het zo werkt.

Mijn vriendje rijdt zijn fiets uit de garage. Ik zwaai mijn been over het zadel. Hij neemt een aanloop, springt en komt zo hard neer dat ik de grip op het stuur verlies. Ik slinger met de fiets richting de bosjes en kan nog net mijn voeten op de vloer zetten om een botsing met de muur te voorkomen. Ik vloek in het Nederlands, hij in het Portugees, waar ik weer van schrik, dat betekent dat het echt menens is.

,,Misschien moet je vanavond toch maar gaan lopen.”