‘Gal spuwen is niet onze stijl’

Howard Komproe, Roué Verveer, Murth Mossel en Jandino Asporaat zijn als Caribbean Combo terug. „Deze show gaat over wat er in die zes jaar waarin we niet samen hebben opgetreden, met ons is gebeurd.

Hangend op stoelen, gekleed in joggingbroeken en sneakers ouwehoerden de mannen van Caribbean Combo er de afgelopen weken op los. De cabaretiers Howard Komproe, Roué Verveer, Murth Mossel en Jandino Asporaat zijn na zes jaar weer bij elkaar. De show is volgens Asporaat „een speeltuin voor vier mannen waar iedereen naar mag kijken”.

De afgelopen maanden oefenden ze in het Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam. Daar op tafel ligt een grote bruine vitaminepil. Niemand weet hoe die daar is gekomen.

Asporaat: „Oefenen? Dit is een praatgroep. We zouden ook in een theehuis of café kunnen gaan zitten. We praten als vrienden over van alles. Mijn broer notuleert de interessante dingen.”

Verveer: „In de voorstelling hebben we dezelfde setting. We zitten in een kleedkamer en praten over het leven. Het is een sitcom. Er is een vierde wand, we reageren niet op het publiek.”

In Nederland is er de afgelopen zes jaar wel wat veranderd. We discussiëren nu veel over discriminatie. Jullie hebben natuurlijk veel…

Mossel: „Kleur.” (Hard gelach.)

Asporaat: „Melanine.”

Komproe: „Jongens laat haar haar zin afmaken, ik ben heel benieuwd wat er nu komt.”

Ik wilde zeggen: jullie hebben veel over jullie achtergrond en huidskleur gesproken in jullie soloshows. Zit de discussie in deze voorstelling?

Komproe: „Nee. Het wordt een entertainmentshow, we willen mensen vooral laten lachen. Het lijkt ook niet op wat we doen met onze eigen voorstellingen.”

Verveer: „We zingen, dansen, spelen typetjes.”

Asporaat: „Deze show gaat over wat er in die zes jaar waarin we niet samen hebben opgetreden, met ons is gebeurd. Ik ben nu iemands vader. Mijn kind van zeven begrijpt beter hoe onze televisie werkt dan ik. Ik roep hem altijd als ik al die kastjes aan moet zetten.”

Komproe: „In vergelijking met zes jaar geleden is het intermenselijke contact in de maatschappij anders. Vroeger moest je nog op een meisje afstappen als je haar leuk vond. Nu hoef je alleen maar te swipen.”

Mossel: „Intermenselijk contact?”

Asporaat: „Mijn god wat een woord. Het is bijna woordporno.”

Komproe: „Overdrijf niet zo.”

Asporaat: „We hebben het ook over Murths prostaatonderzoek. Hij is de oudste en de eerste die zo’n onderzoek onderging.” (Draait naar Murth.) „Sorry man, dat ik je prostaat erbij sleep.”

Mossel (wijst naar de tafel): „Daar ligt hij. Het is maandag, dan is hij verschrompeld, maar je zou hem eens op donderdag moeten zien.” (Hard gelach)

Caribbean Combo in 2010:

Hebben jullie onderling een rolverdeling?

Asporaat: „Roué is de blije eikel. De maïzena van de groep.”

Komproe: „Hij is het bindmiddel. Je kan je voorstellen dat er in een creatieproces met vier mannen wel eens wat is. Geen ruzie hoor, maar meningsverschillen.”

Asporaat: „Roué haalt dan de angel eruit.”

Waarom?

Asporaat (quasi gepikeerd): „Ja, waarom eigenlijk? Hou dat daar eens mee op.”

Verveer: „Ik doe het altijd en overal. In mijn familie, in mijn gezin. Omdat ik hou van een goede sfeer. Als er iets dreigt te ontsporen, dan wil ik altijd van…” (Hij maakt een beweging alsof hij iets oppakt en wegzet.) „Hup, let’s go en nu weer gezellig.

„Nu we het erover hebben, weet je hoe erg ik ben? Ik ga nu iets heel geks zeggen. Als ik naar bepaalde tv-programma’s kijk, ook bij sitcoms, en er gaat iets mis dan denk ik: ik heb hier geen zin in. Dan zap ik weg.”

Asporaat: „Jij bent heel erg raar. Dus dan wordt Friends jou te spannend?”

Komproe: „Dit moeten we even onthouden.”

Asporaat: „Weet je wat Roué doet in zijn vrije tijd? Hij kijkt naar de West Side Story of Grease.”

Komproe: „Voor de drieëntachtigste keer.”

Asporaat: „En dan zegt hij: ‘elke keer als ik kijk, ontdek ik weer nieuwe dingen’. En die man heeft gewoon een gezin.”

Maar Roué, spanning kan ook wat opleveren toch?

Verveer: „Ik heb door dat het tussen ons niets gaat worden qua spanning.”

Ik bedoelde in een creatief proces.

Verveer (quasi onschuldig): „O huh, wat denk je dan dat ik hiermee bedoel?”

Asporaat: „Weet je wat hij nu doet? Hij plant een zaadje. Dan ga jij denken: ‘wat bedoelt hij? Wat kan niet?’ En daarna denk je, ik zal laten zien dat het tussen ons wel kan. Luister nou Roué, waarom geef je ons niet een kans? Je zat net al aan haar. Ik zag het wel.”

Komproe: „Dit is dus wat we doen. Elkaar continu in de maling nemen.”

Verveer: „Ook op het podium. Dat houdt ons scherp.”

Wat is de rol van de anderen?

Asporaat: „Kijk Howard is de scherpschutter. Ik niet, ik schiet lukraak.” (Met een rollende tong doet hij het geluid van een mitrailleur na.) „Wat doet Howard? Hij komt heel laat.”

Verveer: „Is zijn pistool vergeten.”

Asporaat: „Heeft een kogel in zijn hand, gooit, en raakt precies wat hij wil raken.”

Verveer: „Heel vaak zijn we op zoek naar hoe we iets willen uitleggen en dan zegt hij: maar anders zeg je het toch zo en zo.”

Asporaat: „En dan gaat hij weer door op zijn telefoon.”

Komproe: „Murth is een soort helikopter.”

Verveer: „Soms zijn we alle drie enthousiast en dan zegt hij: maar waarom dit en waarom hier? Vaak heeft hij gelijk.”

Komproe: „Ik leer van Dino wel dat het veel oplevert als je vaker schiet. Hij gaat gewoon, heeft een bepaalde brutaliteit op het podium, durft meer dan ik durf.”

Probeer je zelf nu ook meer uit op het podium?

Komproe: „Nee want je bent uiteindelijk wie je bent. Maar ik ben door Dino wat meer ontspannen. Als mensen niet direct lachen, is dat niet erg.”

Asporaat: „Al kan ik niet alles maken hoor. Iedereen heeft een bepaalde persoonlijkheid op het podium. Soms bedenk ik een grap en dan weet ik: die moet Roué vertellen.”

Want als jij hem zou maken?

Asporaat: „Dat zou het publiek niet pikken.”

Komproe: „Het heeft te maken met Roués maïzena-ding. Onderwerpen die gevoelig liggen en waarvan wij denken: niet aankomen, dat zorgt voor narigheid, die kan hij behandelen.”

Zoals?

Komproe: „Ziektes, pedofilie. Zijn hobby’s dus. Normaal als het woord kanker of pedofilie valt, is alle energie weg uit de zaal. Stilte.”

Asporaat: „Roué vertelde in zijn vorige show dat een familielid van zijn vrouw te maken heeft gehad met borstkanker. Hij zegt dan dingen die ik echt nooit had kunnen zeggen. Ze zouden me van het podium hebben gejoeld of hebben bekogeld.”

Verveer (schaterlachend): „Dat is niet waar, ik heb er geen grappen over gemaakt, maar ik heb alleen de situatie uitgelegd. Ik kom wel weg met grappen over vrouwen. Bij mij lachen ze zelfs mee.”

Wat moet je deze week zien, horen of luisteren? Onze redacteuren tippen en recenseren.Stuur mij NRC Cultuurgids

Jandino, het klinkt ook alsof je jezelf beperkt.

Asporaat: „Ik zou soms ook wel eens iets over politiek of oorlog willen zeggen, maar dat lukt me niet. Jaren geleden luisterde ik naar een reportage over de Irak-oorlog op Radio 1. Ik hoorde iemand vertellen dat er honderdduizend slachtoffers waren gevallen aan de kant van Irak en 3.000 slachtoffers bij nine eleven. Toen dacht ik: wow wat een verschil in aantallen. Ik zou daar een scherpe opmerking over willen maken, maar ik kan er de humor niet in vinden. Oorlog is te intens voor mij.”

Komproe: „Je moet een onderwerp verinnerlijkt hebben en er een bepaalde nuchterheid bij voelen om het komisch te kunnen maken.”

Verveer: „Daarnaast, het publiek kent ons nu en koppelt ons echt alleen aan een lach. Ik kreeg gisteren voor mijn soloshow in Alphen aan den Rijn een tweet: ‘Ik heb tickets voor Verveer: een avondje lachen. Dat heb ik echt nodig.’”

Asporaat: „Sommige comedians kiezen ervoor om op het podium hun gal te spuwen. Zo van de wereld is fucked up, ik wil laten weten dat ik ook fucked up ben en jij gaat nu nog meer fucked up naar huis. Dat is niet onze stijl. Wij zijn comedians en hebben maar één verantwoordelijkheid: als jij een kaartje koopt dan is het mijn taak dat je met een lach naar huis gaat.”

‘Ik zat vast in mijn eigen hoofd. Ik durfde dingen niet’

Evelien Buynsters (31) was altijd bang voor de buitenwereld. Die angst heeft ze overwonnen. Nu wandelt ze door Nederland en belt bij vreemden aan voor een slaapplaats. „Ik heb moeten vechten om te willen leven.”

Buikpijn krijgen van het onbekende en dan toch elke dag bij totale vreemden aankloppen en daar in een vreemd bed in slaap vallen. Fotograaf Evelien Buynsters (31) maakt het zichzelf niet makkelijk. Ze sliep afgelopen jaar bij zeventig onbekenden. Met blauwe balpen staat in haar reisverslag: ‘Overnacht bij: een ex van mijn moeder, iemand die het ventilatiesysteem voor huizen heeft bedacht, fotografen, schrijvers, boeren, iemand die vierduizend kilometer naar de Noordkaap heeft gefietst, drukke gezinnen, mensen herstellend van psychische problemen, uitvaartverzorgers, een gymleraar, een familie met Indiase schoonouders op bezoek’.

Logeerplekken vond ze via Facebook, LinkedIn en haar website Evelien op Weg nadat ze daarop had verteld dat ze een rondje rond Nederland wilde wandelen. Uiteindelijk liep ze 1.460 kilometer: van Pieterburen naar Maastricht. Van Maastricht naar Roermond. Van Roermond naar Sluis (Zeeland) en langs de kust van Nederland weer naar Pieterburen.

Op een maandagmiddag in de Waterleidingduinen praat Buynsters over haar wandeltocht. Ze draagt een donkerblauwe spijkerbroek, gekregen op een logeeradres in Bennebroek. „Net nadat ik haar zelfgebakken appeltaart ophad, stond ze op, liep naar de kast en zei ze: pas je deze broek? Neem maar mee.” Een van de vele cadeaus die ze onderweg kreeg. Onder haar broek draagt ze haar vertrouwde rode wandelschoenen die nog vol modder zitten. Daarboven een dikke jas en zelfgebreide roze sjaal, waar ze in wegkruipt.

Ze vertelt hoe het rondje Nederland haar heeft geholpen om haar negatieve overtuigingen te veranderen. Ze kampte jarenlang met gedachtes als: je kan eigenlijk niets, mensen zien je niet, mensen vinden je niet aardig.

Ze wacht even en glimlacht. „Ik wil niet overkomen als iemand die zielig is. Maar ik wil wel vertellen hoe ik die knop om heb gezet. Als ik nu negatieve gedachtes heb, denk ik ‘ga maar slapen Evelien, de wereld ziet er morgen weer heel anders uit’. Ik heb mezelf aangeleerd om zo te denken. Ik heb moeten vechten om te willen leven.”

Ze twijfelt wat ze over die laatste zin nog kwijt wil. „Willen leven was voor mij eigenlijk geen vanzelfsprekendheid. Ik vond contact maken met mensen ingewikkeld. Op mijn negende ben ik verhuisd en van school veranderd. Mijn moeder zegt dat ik een jaar lang heb gehuild, lopend van en naar school. Ik werd ook wel gepest. Op de middelbare school werd ik achternagezeten, of ze tuften op mijn tas. De gedachte dat ik niet gezien werd, maakte me zo ongelukkig. Ik dacht als tiener na over dood willen gaan, ik zag geen uitweg uit al die negatieve gevoelens die in mij zaten.”

Op een dag schreef ze haar verhaal op een briefje en legde dat in het postvak van de vertrouwenspersoon. „Ze kwam me direct uit de klas halen en zei: ga jij dit aan je ouders vertellen of ga ik het doen?”

De vertrouwenspersoon liet haar moeder naar school komen. Haar ouders schrokken. Natuurlijk. „Mijn vader is geen enorme prater. Maar ik weet nog dat hij thuiskwam in die periode en vertelde dat hij de auto langs de kant moest zetten omdat hij ‘Endlessly’ van Muse op de radio hoorde waardoor hij zo hard moest huilen. Hij zette daarna het lied op. Het was zo mooi dat hij zei: ik hou endlessly van jou. Dat je gezien wordt.”

Een paar jaar later overleed haar oma. „Ik realiseerde me dat ik haar niet echt had gekend. Dat wilde ik niet bij mijn andere oma en ging daarom daarna twee keer per week bij haar op bezoek. Het viel me op dat ze steeds angstiger werd. Ze durfde niet meer naar buiten. Ik deed een deel van haar boodschappen. En ze had een huis propvol spullen die ze niet weggooide. Libelles uit 1964 bijvoorbeeld. En overal lapjes van oude stoffen.”

Maar haar oma was ook een spiegel. „Ik dacht: ik ben ook al zo, bang voor de buitenwereld. Ik zat ook vast in mijn eigen hoofd. Ik durfde dingen niet. Al heel lang wilde ik op wereldreis, of op dansles, maar ik dacht dat ik het niet zou kunnen. Breda was mijn veilige haven, ik wilde daar niet weg. Mijn vriend wilde met mij gaan samenwonen in Leiden en ik heb daar echt hysterisch om gehuild.

„Maar door oma realiseerde ik me: ik wil zo niet blijven leven. Ik wil me niet ellendig voelen. Dit is geen kwaliteit van leven. Ik ben meegegaan naar Leiden. Met heel veel buikpijn, maar ik dacht: daar kent niemand me, daar kan ik een andere variant van mezelf zijn. Iemand met meer zelfvertrouwen.”

Een ding hielp haar daarbij: „Als ik nieuwe dingen wilde ondernemen vroeg ik mezelf af: ga ik hier dood aan? Dat is een extreme vraag, maar ik moest hem wel stellen, want anders bleef ik gewoon thuiszitten. En als het antwoord dan nee was, wat altijd zo was, dan kwam ik in actie.”

Ze bleef zichzelf uitdagen. In 2014 zag ze op Facebook een bericht over een wandelreis naar Schotland. Het kriebelde. „Wandelen past bij mijn lichaam. Ik ben traag van mezelf, maar hou wel van bewegen.”

In Schotland werd ze heftig geconfronteerd met haar gedachtes. Halverwege de week moest ze een snelstromende rivier oversteken via stapstenen. „Bij een steen moest je een heel klein hupje maken. Ik dacht alleen maar: ik kan dit niet, ik kan dit niet. En dan heb je ook nog achttien kilo op je rug. Misschien heb ik daar wel een half uur gestaan. Huilen, huilen, want in mijn beleving was iedereen al doorgelopen; zie je wel, mensen zien me niet. Uiteindelijk heb ik de stap gezet. Aan de oever zag ik een uitgestoken hand. Van de gids. Ik had hem niet eens gezien. Vervolgens moest ik nog harder huilen. Ik dacht: o nee, wat ik dacht klopt ook nog eens niet.”

Het was een keerpunt in haar leven. Ze realiseerde zich: mensen wachten ook op haar. Evelien Buynsters besloot vaker te gaan wandelen, door Nederland. In de herfstvakantie van 2016 liep ze van Breda naar Leiden. „Ik had het plan niet echt doorgedacht, ik wilde lopen en vroeg mensen of ze een slaapplaats hadden. Op de eerste dag sliep ik in een caravan. Ik had enkel nog een krentenbol, die ik voor de volgende ochtend bewaarde. Het dorp was zes kilometer verderop. Ik heb rijst proberen te koken in een waterkoker, maar dat gaat natuurlijk niet.

„Die dag daarna kreeg ik echt verschrikkelijke blaren. ’s Avonds was ik moe, chagrijnig en ik had honger. Ik sliep gelukkig bij vrienden van vrienden, al kende ik hen niet. Maar toen ik bij het logeeradres aankwam, kreeg ik meteen de vraag van die jongen: zal ik je blaren even behandelen? Ik mocht in een heet bad liggen. Vervolgens was er warm eten. Uiteindelijk zei die jongen voordat ik ging slapen: zal ik je benen masseren? Ik ben sportmasseur.”

Na die tocht en het rondje Nederland weet ze zeker: de meeste mensen zijn ontzettend lief. „Ik kreeg bijna elke dag een koekje bij de thee, een avondmaaltijd, een douche, een ontbijt en vaak ook nog een lunchpakketje.” Het onbekende kan ze nog eng vinden, aankloppen bij vreemden niet.

Het mooiste aan de wandeltocht zijn de gesprekken. „Ik snap nu steeds meer dat ik geen moeite heb met contact maken, maar dat ik niet tegen oppervlakkig contact kan. Ik herinner me een prachtig gesprek met een christelijke vrouw over geloof. We kwamen erachter dat we precies hetzelfde dachten, alleen waar zij god zei, zei ik ‘ik’. Ze wilde me haar eerste jongerenbijbel meegeven, gewoon als aandenken.”

Komend jaar gaat ze weer wandelen, van Bergen aan Zee naar Enschede. Van haar liefde voor wandelen en nieuwsgierigheid naar mensen heeft ze inmiddels haar werk gemaakt. Ze loopt als wandelcoach/fotograaf met mensen door de duinen, praat met hen over de grote en kleine dingen van het leven, maakt met haar camera een portret en geeft een tekst mee met ook de inzichten van zo’n sessie. „Sommige mensen staan op een kruising en willen een keuze maken. Die hebben rust en ruimte nodig. Dat is wat wandelen mij elke keer brengt. Ik ben niet bang voor beladen onderwerpen. Juist omdat ik ze herken, kan ik mensen helpen. Ik had afgelopen zondag een mooie opdracht van een vader en een dochter. Deze man gaat binnenkort dood. Dan wandel je samen en bespreek je hoe dat voelt. Het is waardevol die diepgang op te zoeken. En om hem mooi op de foto te zetten.”