Luister om te begrijpen, zeker nu je op elkaars lip zit

Communicatie Tijdens deze corona-quarantaine is een ruzie met je partner snel gemaakt. Journalist Anouk Kragtwijk leerde vorig jaar Geweldloze Communicatie, die lessen komen nu van pas.

Ik heb net midden op tafel de zakken van mijn jas geleegd als mijn vriend naar beneden komt. Ik hang boven de troep, maar ben de wasknijper, de poepzakjes, hondenbrokjes en bonnetjes eigenlijk allang vergeten en kijk gebiologeerd naar een filmpje op mijn mobiel van iemand die toiletpapier hooghoudt. Mijn vriend loopt naar mij toe en met een veeg gooit hij al mijn spullen op de grond. „Ik wil een lege tafel. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?” Ik ontplof bijna van zijn kinderachtige gedrag. „Ik ga dit dus echt niet opruimen. Als je iets van me wil, moet je het maar normaal vragen.”

Inderdaad. Ook bij ons is het gezellig tijdens deze corona-quarantaine. We zitten op elkaars lip en dat brengt niet het beste in ons naar boven. We zijn niet de enigen. Mensen klagen op Twitter en in mijn omgeving over hun partner. Wat doe je met een man die de hele dag in zijn pyjama rondloopt? Of iemand die geen zak doet in het huishouden? Een geliefde die wil gaan winkelen, terwijl jij vindt dat jullie nu thuis moeten blijven? Zoals relatie- en gezinstherapeut Eliane Wiebenga zegt: „Alle relaties zijn in een hogedrukpan terechtgekomen. En dat legt dingen bloot die je normaal wel een uurtje volhoudt maar niet 24 uur per dag, zeven dagen per week.”

Toen bij ons de zoveelste ruzie aanbrak omdat ik het onverantwoord vond dat mijn vriend nog even naar zijn werk zou gaan, trapte hij op de rem en zei: „Hé hé hé, we moeten nog drie weken samen zo leven. Laten we lief zijn voor elkaar.” Ik besloot mijn reactie in te slikken. Ik haalde adem en zei iets wat ik vorig jaar had geleerd: „Jij zegt ‘ik wil naar mijn werk’. Ik voel me nu boos. Ik heb behoefte aan veiligheid, dat jij veilig bent, dat ik veilig ben. Zou je alsjeblieft thuis willen blijven?”

Ik had de enigszins robotachtige zinnen geleerd op de eendaagse groepsworkshop Geweldloze Communicatie die we vorig jaar mei volgden. Waarom? We bekvechtten te veel. Waarover? Het huishouden. „Ons huishouden is heel erg geëmancipeerd fiftyfifty verdeeld. Ik maak de troep en mijn vriend ruimt alles op”, grapte ik altijd.

Maar het was niet grappig. Elke dag hadden we mot omdat de keuken volgens mijn vriend niet opgeruimd genoeg was, er te veel frutseltjes op de grond lagen, de tafel vol lag met kranten en boeken. Hij ergerde zich aan de spullen, ik aan zijn rigiditeit en zijn toon. Hij vroeg niet rustig: „Wil je het opruimen lieverd?” Maar zei pinnig: „Doe je wel eens iets goed?” Ik beet hem dan weer toe: „Waarom praat je zo respectloos?” Hij: „Waarom doe je zo respectloos?” Er zat niets anders op dan het probleem grondig aan te pakken.

Geweldloze Communicatie is bedacht door de Amerikaanse psycholoog Marshall Rosenberg. De hoofdvraag van de methode is: hoe kom je dichter tot elkaar? In plaats van: hoe krijg je je gelijk? Op een zonnige dag in mei legde trainer Jan Carel van Dorp ons de basis van de methode uit. „Communiceren is luisteren. Wanneer luisteren om te reageren overgaat in luisteren om te begrijpen, ontstaat er echt contact. Verbinding moet altijd boven inhoud gaan.”

Dat klinkt misschien nogal wiedes, de crux zit hem vooral in het ‘hoe’. Daar zijn vier stappen voor: eerst het benoemen van een waarneming, daarna het benoemen van je gevoel, het benoemen van je behoefte en uiteindelijk het doen van een verzoek. En allemaal zonder te oordelen.

Van Dorp geeft een voorbeeld: „Iemand heeft ondanks een afspraak de afgelopen twee maandagen niet gebeld. Als je dan zegt: ‘Je hebt mij de afgelopen twee weken genegeerd’, voelt die ander zich bekritiseerd en haakt af. Je helpt jezelf door aan een videocamera te denken en uit te spreken wat de videocamera uitzendt.” Bijvoorbeeld: ‘ik heb je twee keer gebeld en je nam niet op’. „Of, een ander voorbeeld, door letterlijk te citeren wat de ander zegt: ‘Ik hoorde je zeggen dat je mij een luilak vindt’. Dat komt heel anders over dan te beginnen met: ‘toen je me beledigde’.”

Daarna volgt het uiten van je gevoel. „We zijn geneigd gevoelsuitingen te gebruiken die aankomen als kritiek. Als je bijvoorbeeld zegt: ik voel me niet serieus genomen, zeg je iets over hoe jij denkt dat de ander zich ten opzichte van jou gedraagt. Je spreekt een gedachte uit, niet een gevoel.” We krijgen tijdens de cursus een briefje waar tientallen gevoelsbegrippen op staan en oefenen in het uiten van wat er van binnen speelt: ik voel me verdrietig, ik voel me blij, ik voel me kwetsbaar. Zonder gejijbak.

En dan komen de behoeftes, het allerbelangrijkste punt in de methode. Van Dorp citeert Rosenberg: „‘Alles wat we doen, doen we om een behoefte te vervullen.’ Maar als we communiceren gaan we vaak voorbij aan de behoefte die daaraan ten grondslag ligt.” Oftewel, we communiceren die behoefte niet, terwijl wanneer we blaffen, bijten, jammeren, we altijd worden gedreven door een behoefte. „Behoeftes zijn bijvoorbeeld: contact, focus, rust, harmonie, vreugde, expressie en ze zijn universeel. Het zijn waarden die uitnodigen om verbinding te ervaren met onszelf en van daaruit met elkaar.” Al snel blijkt dat iedereen een andere strategie heeft om die behoeftes te verwezenlijken. Mijn behoefte tot rust vul ik in door te mediteren en te wandelen met de hond. Mijn vriend door op de bank te kijken naar wielrennen, en door een opgeruimd huis te hebben. Aha, dacht ik. Het opgeruimde huis is voor hem net zo belangrijk als mijn meditatie.

Uiteindelijk eindigt de methode met het uiten van een verzoek: een vraag waar iemand ja of nee op kan antwoorden. Bijvoorbeeld: zou je alsjeblieft de afwas op willen ruimen? „Iemand moet de vrijheid hebben om daar nee op te antwoorden.”

Er vielen kwartjes tijdens de cursus. We bestoken elkaar in onze maatschappij met verwijten, met argumenten, met emoties, maar leggen niet werkelijk onze ziel bloot door te zeggen ‘dit heb ik nodig’. En wanneer doe ik dat eigenlijk? Wat was mijn behoefte qua huishouden? Ik had daar nooit bij stilgestaan. Ik probeerde angstvallig te voldoen aan de tips van de Libelles en Margrieten van deze wereld waarin het hebben van een schoon huis meer een vaststaand iets lijkt dan een mogelijkheid waar je voor kunt kiezen. Ik faalde daar alleen behoorlijk in omdat ik een chaotisch brein heb. Maar vond ik dat eigenlijk zelf erg? Wat verlangde ik? Meer flexibiliteit in ons huis? Creativiteit? Hulp om mijn ongeordende geest te structureren? Gezien worden in mijn goede intenties? Ja dat wilde ik allemaal. En harmonie.

Van Dorp kijkt zelf nu ook met andere ogen naar zijn verleden. „Ik ben gescheiden. Mijn ex en ik hadden vaak ruzie over mijn overwerken. Ik begrijp nu dat ik gekrenkt en geïrriteerd was als ze daar iets over zei, alleen lukte me dat toen niet. Ik had behoefte om gezien te worden voor mijn inzet om geld te verdienen voor het gezin. Ik hoorde helemaal niet het belang van mijn ex onder de opmerkingen, haar behoefte aan gezamenlijkheid. En zij deelde die ook niet. Ik dacht zelfs dat ze zich zorgen maakte over mijn gezondheid en dat ze vond dat ik meer moest bewegen. Dus ik kwam op een vrijdagavond thuis en zei: ‘ik ga morgen golfen’. Toen ontplofte de boel. En ik begreep daar niets van. Ik dacht, wacht eens even, je zei toch dat je wilde dat ik op zaterdag niet zou overwerken?”

De methode ligt goed bij deskundigen die zich bezighouden met relaties en gezinnen. Al benadrukt relatie- en gezinstherapeut Eliane Wiebenga dat de aandacht voor behoeftes in bijna elke vorm van relatietherapie aan bod komt. „Achter kritiek zit vaak een wens of verlangen. Als je ruzie hebt, helpt het om te vertellen waarom voor jou iets zo belangrijk is.”

Wiebenga is enthousiast over de methode, maar ze zegt ook: „Bij ernstiger relatieproblemen spelen vaak ook trauma’s of nare ervaringen uit het verleden een rol. Mensen kunnen reageren vanuit deze ‘blauwe plekken’ Dan is de reactie heftiger dan uit de situatie zelf begrijpelijk is. Voor het verkennen en behandelen van die psychologische achtergrond is eigenlijk geen plek bij Geweldloze Communicatie, terwijl dat soms wel nodig is om verder te komen in je relatie.”

Esther Kluwer, hoogleraar duurzame relaties aan de Radboud Universiteit en de Universiteit Utrecht zegt dat het uiten van je behoefte misschien simpel klinkt. „Maar het is verschrikkelijk moeilijk. Want behoeftes raken ondergesneeuwd door emoties en door het appèl dat je partner op je doet in ruzies, bijvoorbeeld door kritiek te leveren. Op dat soort momenten is het belangrijk om ruimte te nemen, afstand te creëren. Probeer je eigen emoties reguleren. Niet te reageren op een verwijt maar vragen wat daaronder zit.”

Wiebenga heeft ook eigen tips. „Bedenk je ook: hoe noodzakelijk is dit punt? Is het een strijd waard? Wil je echt belangrijke dingen bespreken, neem dan de tijd om goed te luisteren naar elkaar. Kom niet direct met een tegenreactie of oplossing. Bij kleine dingen is het handig om juist snel een knoop door te hakken en het niet groter te maken dan het is. Daarnaast gaat het in een relatie ook om verdragen dat je wensen en behoeften nooit 100 procent in vervulling gaan.”

Na de cursus dachten mijn vriend en ik een tijdje dat we samen verlicht waren. Als we onze stem dreigden te verheffen, dan stonden we even stil en gingen we vervolgens echt alle stappen af. Het A4’tje met behoefte- en gevoelsbegrippen die we na de cursus kregen, hingen we op onze koelkast.

We kwamen door die methode tot een praktische maatregel. Als mijn vriend onderweg naar huis was, moest hij even bellen. Ik werkte thuis en had dan drie kwartier om alle spullen in de kast te stoppen die ik ergens had laten slingeren. Ik zoefde dan als een op hol geslagen stofzuiger door ons huis.

Maar het werkte. Zo goed zelfs dat we de methode eigenlijk vergaten. Tot de corona-quarantaine. Toen belde mijn vriend niet meer dat hij naar huis kwam, hij was er immers al. En ik had mijn kleinduimpjesgedrag niet aangepast.

En toch, na een paar dagen was er een prettigere sfeer in huis. Ik dacht na over mezelf, had ik iets veranderd? Ik vroeg het aan mijn vriend. Zijn antwoord kwam als een verrassing. „Ik dacht, ik ruim zelf iets meer op. Ik kan heel boos op je worden, maar ik heb het in vijf minuten gedaan.” Inderdaad, zo vervulde hij zijn eigen behoefte aan rust.

Deze liedjes hoor je niet meer op de radio

Kleinkunst op de Radio De Annie M.G. Schmidtprijs, die deze zondag wordt uitgereikt, is in de theaterwereld een prestigieuze onderscheiding. Maar op de radio worden de bekroonde nummers amper gedraaid.

Kiki Schippers knalde vorig jaar tijdens de uitreiking van de Annie M.G. Schmidtprijs de zaal in met haar lied over vluchtelingen ‘Er spoelen mensen aan’. Het lied was volgens de jury „geheimzinnig, actueel, beeldend geschreven en indringend gezongen”. Ze won.

De keren dat Schippers daarna op de radio werd gedraaid? Bij NPO Radio 2 mocht ze een keer langskomen bij Spijkers met Koppen, ze zat bij Met het Oog Op Morgen op NPO Radio 1 en werd een enkele keer gedraaid op NPO Radio 5.

Dat is exemplarisch. Theaterliedjes worden nauwelijks nog op de radio geprogrammeerd – op commerciële radiozenders klinken voornamelijk Engelstalige popliedjes. NPO Radio 2 zond tien jaar geleden nog verschillende cabaretprogramma’s uit maar Het circus Jeroen Bosch en Ha! Die Yora verdwenen de afgelopen jaren van de zender. De programma’s Andermans Veren en Volgspot verhuisden in 2010 naar het minder goed beluisterde Radio 5 met luistercijfers van 3,5 procent. NPO Radio 2 heeft momenteel een aandeel van 13 procent.

Waarom verliezen theaterliedjes aan populariteit op de radio? Samensteller Basyl de Groot van NPO Radio 2 en Jan-Willem van Engelen, zendermanager van Radio 2 en 5, twijfelen. De Groot: „We denken niet in termen als ‘kleinkunst, jazz of hiphop’. De vraag is vooral: wat doet een lied met je? Neem bijvoorbeeld Jamai, die heeft een nieuwe Nederlandstalige plaat uit en daarop staat een liedje dat hij na een lange nacht, licht aangeschoten, heeft opgenomen. Het liedje is heel ingetogen en breekbaar, wij kregen er kippenvel van. Is dat kleinkunst?”

Over de term kleinkunst is discussie. Veel theatermakers definiëren het theaterlied als een lied met ‘betere teksten’ en ‘een verhalende structuur’. Maar een poëtisch liedje als ‘Dat ik je mis’ van Maaike Ouboter wordt ook vaak gezien als ‘kleinkunst’.

Ondanks de definitiediscussie zijn radiokenners het er wel over eens. Van Leo Blokhuis (popjournalist en radiopresentator), Jacques Klöters (radiopresentator en producer van Andermans Veren en voorzitter van de jury van de Annie M.G. Schmidtprijs), Ferry Roseboom (directeur van Excelsior Recordings een groot Nederlands platenlabel) tot Herbert Visser (de baas van 100% NL), ze beamen allemaal: het theaterlied wordt minder gedraaid.

Dat is zonde, vindt Klöters. „Als je nu luistert naar de liedjes uit de jaren zestig en zeventig dan hoor je welke onderwerpen speelden in ons land. Op de radio hoor ik nu vooral voorgekookte emoties en steeds harder en hoger zingende meisjes. Waar het over gaat, geen idee. Ik vind dat een verschrikkelijke ontwikkeling.”

In de jaren tachtig verloor kleinkunst volgens Klöters op de radio al aan populariteit. „Platenmaatschappijen kwamen in buitenlandse handen. Zij plugden geen Nederlandse liedjes meer maar buitenlandse hits. Kleinkunst is toen in een reservaat gedwongen. Waar het theaterlied eerst bij alle programma’s werd gedraaid, klonk het vanaf die tijd voornamelijk nog bij specifieke programma’s. Die zijn nu ook verdwenen.”

Nieuwe klank Radio 2

Kleinkunstartiesten balen vooral van het nieuwe beleid van NPO Radio 2. Die zender is veranderd van klank. Van Engelen: „Onze taak als publieke omroep is om alle leeftijdsgroepen te bedienen. NPO Radio 5 is de ouderenzender, 3FM de jongerenzender en NPO Radio 2 de familiezender. Dat liep te veel door elkaar. We hebben de zenders een sterker profiel gegeven waardoor programma’s zijn verhuisd.”

Samensteller De Groot: „Daarnaast is het een wereldwijde trend dat radiostations minder gespecialiseerde programma’s uitzenden. We hadden op 3FM een hiphop-programma, maar waarom zou je als je fan bent van hiphop wachten tot donderdagavond? Op internet staan genoeg playlists.”

Bij 100% NL domineert de Engelstalige popmuziek niet, maar ook daar worden nauwelijks theaterliedjes gedraaid. Visser: „Als commerciële radiozender moet je reclame-inkomsten genereren om te kunnen bestaan. De mediabureaus die de reclamegelden verdelen, plannen op de doelgroep van twintig tot en met vijftig jaar oud. Als we een liedje beluisteren en we hebben het idee dat dat nummer niet gewaardeerd wordt door die doelgroep, dan komt het niet op de playlist.”

De argumentatie van de radiobazen frustreert cabaretière Kiki Schippers. „Ze zeggen eigenlijk dat theaterliedjes niet toegankelijk zijn voor het grote publiek en dat vooral bejaarden ervan houden. Onzin. Er zijn echt genoeg luisteraars die liedjes waarderen die verder gaan dan ‘ik hou van jou want je ogen zijn zo blauw’. Maar hoe komen die mensen in aanraking met dat soort muziek? Zij moeten eerst 20 euro betalen voor een vaak nog onbekende artiest die bij hen in het theater staat. Radio is laagdrempeliger.”

Volgens Schippers is het een kip-ei-probleem. „Als je nooit naar Bulgaarse koren luistert en Radio 2 start opeens een stuk in, zullen mensen zich ook rot schrikken. Maar een poos geleden waren die koren juist hartstikke hip. Had niets te maken met goede of slechte muziek, alleen met wat in de mode is. Ik denk vooral dat kleinkunst een imagoprobleem heeft. Velen denken bij hedendaagse kleinkunst aan Wim Sonneveld, maar dan loop je hopeloos achter.”

Samensteller De Groot denkt dat radio steeds meer een achtergrondmedium is geworden. „Theaterliedjes komen het beste tot hun recht in het theater, waar je een publiek hebt dat aandachtig luistert. Als artiesten komen pluggen, zeggen ze vaak: dat liedje doet het zo goed live. Maar wat live goed werkt, is vaak niet geschikt voor de radio. Wat ook meespeelt: de ballad heeft het moeilijk. Radio moet vrolijk en energiek klinken. Ballads passen daar minder in. Theaterliedjes zijn vaak ballads.”

Bij 100% NL programmeren ze muziek die je kunt opzetten als je ‘bijvoorbeeld op een ladder staat te verven’. Volgens Visser moet de productie van liedjes daarom gelikt zijn. Visser: „Als je voor de radio muziek maakt, moet het goed klinken door wat boxen. Met een toetsenist, zangeres en gitarist ben je er niet. Liedjes produceren is een vak.”

Dat is volgens cabaretière Mylou Frencken, genomineerd voor de Annie M.G. Schmidtprijs van dit jaar, „wel een gedoetje”. Uit frustratie over de teloorgang van het genre op de radio maakte ze vorig jaar het boek Leven in het lied, waar ze haar liefde uitspreekt voor het ‘betere Nederlandstalige lied’. Ze interviewde voor het boek 25 collega’s. Daaruit bleek ook dat kleinkunstenaars het niet echt breed hebben. „Mijn laatste cd is van zes jaar geleden en die kostte 8.000 euro. Ik kan dat niet zomaar nog een keer betalen.”

Kiki Schippers schudt haar hoofd: „Dus een goede productie zou de sleutel zijn tot gedraaid worden op 100% NL? Dat geloof ik niet. Ik heb een aantal keer een cd gemaakt met echt goede producers en muzikanten. Toch word ik niet gedraaid. Ik wil niet als een zeurpiet klinken, maar ik heb het niet alleen over mijzelf. Ook andere artiesten die echt mooie dingen maken, hoor ik niet.”

Taak publieke omroep

De maatschappelijke functie van de Publieke Omroep ligt voor de televisie strak vast, in de Mediawet staat dat de NPO verplicht tijd moet besteden aan informatie, cultuur en educatie. In diezelfde Mediawet staat niets over het verplicht afspelen van specifieke genres op de radio. Zou dat moeten?

„Ja”, zegt Kiki Schippers. Ze zou graag zien dat NPO Radio 2 quota krijgt, geïnspireerd op de Vlaamse publieke omroep. Radio 2 is daar verplicht 30 procent van de tijd Nederlandstalige muziek uit te zenden. Bij Radio 1 is dat 15 procent. „Daar hoor je veel gevarieerdere Nederlandstalige muziek. Van Nederlandstalige hiphop tot kleinkunst.”

Uit onderzoek van NRC aan de hand van de playlist van NPO Radio 2 op internet, blijkt dat de zender in heel 2017 tussen zes uur ’s ochtends en 10 uur ’s avonds rond de 5 procent Nederlandstalige liedjes heeft gedraaid. Opvallend is dat 6 procent van alle Nederlandstalige nummers wordt gezongen door vrouwen. Minder dan een half procent van alle muziek op NPO Radio 2 komt dus van Nederlandstalige zangeressen.

NPO Radio 2 ziet niets in overheidsquota. Van Engelen: „We streven er zelf naar dat 25 procent van al onze muziek komt van Nederlandse artiesten. We draaien Tim Knol, Blaudzun, Chef’Special en Ilse DeLange en steunen ook acts als Johan, Wende en Judy Blank. Die hoor je echt niet snel elders. Maar we willen ook relevant zijn door als brede zender een groot publiek te bereiken. Als onze doelgroep veel behoefte zou hebben aan kleinkunst, zouden we dat direct meer programmeren, maar zoveel vraag is er niet naar.”

Voor de artiest die volgend weekend de Annie M.G. Schmidtprijs wint, zit grijs gedraaid worden op de radio er waarschijnlijk niet in. De winnaar krijgt wel het prijzengeld van 3.500 euro. Geld dat voorgangers vaak in een cd staken. Maar zo’n album zal waarschijnlijk vooral hun fans bereiken. De tijd dat theaterliedjes veelvuldig werden geprogrammeerd op de radio is voorbij.

Hoe word ik grappig?

Wie aan stand-upcomedy wil doen kan op les gaan. „Grappen schrijven kan je trainen.”

Het is april 2018 en ik sta op een podium. Een groep van tien onbekenden bekijkt me van top tot teen. „Je bent denk ik vegetariër”, „Jij eet van die vieze maar gezonde ontbijtjes met bessen enzo”, „Je houdt van cultuur”, „Je hebt een vriend maar je bent niet getrouwd”, „Je bent een renchick”, „Je woont in Hilversum ofzo.”

Ik ben totaal verbaasd, de eerste indruk die zij van mij hebben klopt bijna helemaal. ’s Ochtends maak ik inderdaad met amandelmelk en boekweitvlokken een ontbijt dat zo stevig is dat je er ook een muurtje mee zou kunnen metselen. Ik heb fanatiek aan atletiek gedaan. Dieren eet ik niet meer sinds mijn vijftiende. Trouwen ga ik niet, al woon ik al jaren samen. Ik schrijf voor de cultuurredactie van NRC. Enige fout: ik woon niet in Hilversum, wel in Heemstede. Net zo wit, net zo rijk, net zoveel mensen lid van de hockeyclub.

Het is de eerste oefening van de comedycursus van Roel C. Verburg, gitaarkomiek en stand-upcomedian bij het Amsterdamse Comedy Cafe, waar ik aan meedoe. Ik wil grappig worden, maar ja, hoe doe je dat? De cursus zit al jarenlang elk kwartaal helemaal vol. De deelnemers, onder wie verplegers, engineers en socialemediaconsultants, willen niet allemaal net als ik op het podium staan, maar wel graag leren hoe ze grappig kunnen worden. Ook veel nieuwe bekende namen in de comedyscene begonnen bij Verburg, zoals Kasper van der Laan, winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2018, en Tex de Wit, schrijver bij Zondag met Lubach. Verburg: „Ik pretendeer niet dat je meteen comedian wordt met uitverkochte zalen”, zegt Verburg, „ik kan mensen niet grappig maken, alleen wel grappiger.”

De eerste oefening over de eerste indruk is belangrijk, legt hij uit. „Als iemand die heel dik is zegt ‘ik moet op dieet’, dan kunnen mensen lachen uit herkenning. Als iemand heel dun is en dat zegt , weet je dat de grap ironisch is bedoeld. Maar ik had een comedy-collega die niet heel dik was en die zei dat hij op dieet moest. Je hoorde het publiek denken: is dat zo? Huh? En dan werkt je grap dus niet.”

Toch wordt het belang van die eerste oefening veel comedians pas na veel optredens duidelijk. Mij ook. Wel meteen toepasbaar is de definitie van een grap: een doorgaans logisch maar onverwacht vervolg. Of de tip dat het belangrijkste woord in een grap altijd aan het einde van de zin moet.

Mindmappen en associëren

Verburg raadt aan om te gaan mindmappen, associaties zijn enorm belangrijk voor grappen. „Vooral voor een onderwerp dat je boeit of dat jou typeert.” Ik denk na over mijn hobby’s en weet meteen welk woord ik op mijn kladblok moet schrijven: klimaatverandering. Ik maak lijntjes met Shell, olie, CO2, smeltende ijskappen, ijsberen, gas, Groningers, Freek de Jonge. Hilarische onderwerpen voor comedy natuurlijk.

Even daarvoor heeft Verburg een aantal woorden opgeschreven: zelfspot, vergelijking, tegenstelling, projectie, typetje, herkenning, afzeiken, de waarheid, vergroting, 1-2-3’tje, understatement: grapvormen waar je je associaties in kunt gieten. Verburg: „Als ik nu een grap wil maken, pak ik deze lijst er natuurlijk niet meer bij. Heel af en toe denk ik nog: deze grap werkt niet, moet ik de vorm veranderen? Laatst had ik een 1-2-3’tje bedacht. Ik had: sommige mensen geven fooi in een café, anderen in een restaurant en ik geef fooi in een bank. Dat werkte niet. De vergelijking die ik daarna maakte werkte ook niet. En toen dacht ik, ik moet gewoon zeggen wat het is: ik geef graag fooi aan mensen die nooit fooi krijgen, ik geef bijvoorbeeld fooi in een bank. Dat werkte wel, de gedachte zelf is al een onlogisch vervolg.”

Jasper van der Veen won dit jaar het Leids Cabaret Festival. Hij volgde niet de hele cursus bij Verburg maar wel een paar lessen: „Die brachten techniek in het warrige verhaal dat ik als beginnend comedian aan het vertellen was.” Ook Gerthein Boersma, redacteur bij Dit Was Het Nieuws en oud-schrijver bij Zondag met Lubach, kreeg les van Verburg: „Het was superfijn, maar daarna begon het echte werk.” Een van de uitdagingen voor comedians is puzzelen met de kloof, het verschil tussen de opbouw van een grap en de inkopper. Boersma: „Die kloof moet niet te klein zijn, anders is de clou niet onverwacht. Maar ook niet te groot, want dan moet het publiek zelf te grote stappen maken. En soms is het ook leuk als niet iedereen je grap begrijpt. Ik had ooit deze: ‘Roel van Velzen heeft gezegd dat het leven net is als een rollercoaster. Maar hoe weet hij dat nou?’ Vaak lachte maar de helft. Als ik in een gulle bui was legde ik uiteindelijk uit dat Van Velzen niet in achtbanen mag. Dan lachte de andere helft.”

De weken na de theorieles gaan we met z’n allen spuien, verfijnen, schrappen en voor elkaar optreden . Ik schrijf dingen op die ik opvallend vind: Groningers die koken op gas, of dat ik om milieuredenen liever niet in een vliegtuig zit en daarom mijn schoonouders uit Portugal maar hiernaartoe laat komen. Na tien weken mag ik tien minuten optreden. Het publiek lacht hard. Op dat moment weet ik één ding zeker: ik ben echt absurd grappig.

Ik mag vaker spelen. Bijvoorbeeld begin december 2018 in een dorpscafé in Wijdenes, een dorpje vlakbij Hoorn met 1.300 inwoners. Ik begin weer voortvarend met mijn klimaatgrappen. Aan de bar zit een man met klompen aan. Hij draait zich na de eerste opmerking hoofdschuddend om. De zaal is voor de rest doodstil. Ik denk alleen maar: wat doe ik hier? Hoezo dacht ik dat ik grappig zou kunnen zijn? Waarom zit ik niet in mijn onesie thuis op de bank de herhaling van Heel Holland Bakt te kijken?

Grappig zijn is meer dan grappen schieten

Ik leerde die avond in december op een vrij pijnlijke manier: grappig zijn is meer dan grappen schieten. „Grappen schrijven is een bepaalde manier van denken en dat kan je goed trainen”, vertelt de Nederlandse hoogleraar cultuursociologie Giselinde Kuipers die sinds kort werkt aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ze deed jarenlang onderzoek naar humor. „Maar grappig zijn is eigenlijk een recept waarbij je verschillende ingrediënten moet doseren. Heel belangrijk is dat een comedian de zaal goed aanvoelt. Maak verbinding en reageer op de signalen van het publiek. Je zegt eigenlijk: ik ga met jou mijn wereldbeeld delen en ik hoop dat je meegaat. Maar je moet continu checken of ze wel mee zijn.” Een grap heeft ook altijd iets grensoverschrijdends. „Het is wel zoeken naar een balans. Als je meteen losgaat, kan het publiek denken: wat is dit voor hufter? En over sommige groepen mag je hardere grappen maken dan over andere.” Waarom? Door ingrediënt nummer drie: „Humor haalt dingen omlaag. Als je grappen maakt over mensen die een zwakkere positie hebben in de maatschappij kan het publiek denken: dit vind ik niet meer grappig. Maar mensen vinden het juist wel grappig als je machthebbers uitdaagt.” Kuipers: „Ten slotte moet je iets met je uiterlijk of met je stem doen waardoor mensen begrijpen dat je niet serieus bent. Maar dat verschilt ook per opleidingsniveau van het publiek.”

Ik denk terug aan mijn avond in Wijdenes en er vallen kwartjes. Ik vermoed dat het dorp met meer koeien dan inwoners mij bij mijn eerste zin al kwijt was: „Hallo ik ben Anouk, ik ben een idealist en ik eet geen vlees.” Ik ben na die realisatie in de war, betekent dit dat ik mijn materiaal dan moet aanpassen aan het publiek?

„Nee”, zegt Van der Veen. „Comedy wordt juist interessanter als je je eigen verhaal vertelt. Ik heb een beetje idealeschoonzoonuitstraling en mijn optredens gingen daarom nooit fout, mensen moesten altijd wel lachen. Maar bij mij ging nooit het dak eraf. Ik heb nu geleerd om nog persoonlijker te worden en daarmee ook grensoverschrijdender. Dat betekent dat mensen mij soms echt niet trekken. En ja, ik moet daarom harder werken om hen voor me te winnen. Maar als dat nu lukt, lachen ze zoveel harder.” Hij schrijft zijn materiaal ook anders. „Vroeger ging ik in een café zitten, keek ik om me heen, zag een lamp hangen en dacht ik: wat zou het publiek daar grappig aan vinden? Nu denk ik: wat wil ik zeggen?”

Je eigen verhaal mengen met het beeld dat andere mensen van je krijgen, is dat wat een goede comedian doet? Ik denk na over mijn eigen persoonlijkheid. Ik ben een veel te fanatieke, dunne veganist die vrij streng is voor zichzelf en voor de mensen om zich heen. Dat moralisme vinden sommige mensen in het publiek natuurlijk superfrustrerend. Ik besluit de frustratie die ik opwek te gebruiken in mijn optreden. Het publiek lacht direct om mijn nieuwe introductie. Even denk ik weer dat ik het heb begrepen.

Maar dat kan ik wel vergeten, lacht Van der Veen. „Uiteindelijk heb ik ook weer veel losgelaten van wat mensen adviseerden: iedereen is namelijk op zijn eigen manier grappig. Als comedian moet je om beter te worden de hele tijd dingen uitproberen waar het publiek niet altijd meteen goed op reageert. En als je een aantal goede avonden hebt gehad en denkt dat je eindelijk begrijpt hoe comedy werkt, gaat het de volgende keer weer helemaal mis.”

Glennis Grace uit de Jordaan, een wereldster in wording

Ze zingt als Whitney Houston, en juist dat valt in de smaak bij de kijkers van America’s Got Talent. Volgende week staat de Nederlandse Glennis Grace in de finale.

Niet veel zangeressen kunnen zo krachtig, loepzuiver en warm een hoge E zingen als Glennis Grace avond aan avond doet. Sommigen lukt het na jaren zangles, al klinkt het dan vaak toch nog scherp en dun.

Een zangcoach had Grace – de Nederlandse zangeres die dinsdag meedoet in de kwartfinales van de populaire talentenjacht America’s Got Talent – nooit, haar stemtraining kwam uit speakers. Op de bovenste etage van haar ouderlijk huis in de Jordaan, schalden de liedjes van Whitney Houston door de kamer. Ze bleef net zo lang oefenen tot ze de noten te pakken had. „Ik zong niet expres bij het raam, maar soms keek ik even naar beneden en dan stonden er altijd mensen te luisteren”, vertelde ze vorig jaar in het RTL-programma Chantal blijft slapen.

Whitney Houston zou een rode draad worden in haar leven. Met het repertoire van de overleden diva zong ze voor het eerst voor publiek op de bruiloft van juf Astrid, excelleerde ze als zestienjarige bij De Soundmixshow en oogstte ze deze zomer een staande ovatie bij haar auditie voor America’s Got Talent.

Ze heeft het nooit erg gevonden met Houston te worden vergeleken. „Zij is ‘The voice’”, zegt ze in veel interviews. Toch heeft ze in haar carrière van veel mensen uit het vak het advies gekregen haar idool van zich af te schudden. Vooral na het winnen van De Soundmixhow zat het haar in de weg, vertelt producer Tjeerd Oosterhuis. „Haar stem leek vroeger al zo op die van Whitney. Dan denken sommige mensen al snel dat je haar nadoet.” Oosterhuis kent en volgt Grace al bijna twintig jaar, ook in de tijd dat ze moest knokken voor een plek in de muziekwereld.

Mercedes verkocht

Na De Soundmixshow trad ze veel op in het land. Haar toenmalige manager John van Katwijk verkocht volgens De Telegraaf zijn Mercedes zodat Grace een cd op kon nemen. Maar succes bleef uit. Toen belde het Songfestival, vertelt ze in 2005 aan De Telegraaf. „Ik stond net op het punt om te gaan solliciteren bij een supermarkt, dus wat had ik te verliezen? Niets!” Maar na haar optreden in de halve finale met My Impossible Dream gebeurde er alsnog niets.

Tot in 2010 Jitze de Raaff haar manager werd. „We hebben een aantal dingen aangepakt. Allereerst nieuwe producers gezocht die een naam hadden in de muziekwereld: Fluitsma & Van Tijn”, vertelt hij. „We hebben ook haar uiterlijk veranderd. Glennis kreeg een haarsponsor waar ze om de week een nieuw kapsel uit kon zoeken en ze ging daarnaast bijzondere kleding dragen, vaak met meer kleur. Van meisje werd ze artiest.”

De publiciteit moest weer op gang komen, vertelt De Raaff. „Ik heb elke maand aan het blad Linda gevraagd of ze een keer op een spread mocht staan. In het najaar van 2010 werden we gebeld, er viel iemand uit voor het kerstnummer, of Glennis mee wilde doen met de shoot. We hebben meteen ‘ja’ gezegd. Iedereen heeft toen kunnen zien dat ze niet alleen prachtig kan zingen, maar ook een heel mooie vrouw is. Dat is belangrijk. Mannen vonden haar een lekker wijf, vrouwen vroegen waar haar kleding vandaan kwam.”

In die tijd hoorde De Raaff dat de TROS vrouwen zocht voor het programma Beste Zangers. Haar deelname daaraan betekende een ommekeer. Grace zong het liedje Afscheid van Xander de Buisonjé en scoorde een nummer 1-hit. „Vóór dat programma had ze relatief weinig succes, er waren al genoeg Engelstalige zangeressen”, zegt De Raaff. „Nederlandstalig maakte haar op dat moment uniek en daarmee hadden we meer kans om te scoren.”

Nederlandse roots

Maar haar dromen waren groter. Amerika lonkte, toen al. „Ze (mijn managers) wilden een vrouwelijke Marco Borsato van me maken en dat ik alleen nog maar Nederlandstalig zou zingen”, zei Grace in het AD in 2015. „[…] Maar ik schrijf beter in het Engels, ondanks mijn Nederlandse roots. En ik concentreer me toch graag op mijn eigen liedjes.” Grace en haar managers gingen na zo’n acht jaar in goede harmonie uit elkaar.

Glennis Grace is gedisciplineerd, ambitieus en gedreven, zeggen haar vrienden. Xander de Buisonjé: „Ze is echt een ongelooflijke vechter. Dat merk je zelfs als ze zingt. Elke toon krijgt passie en vechtlust.’’ De Buisonjé heeft veel respect voor haar Amerikaanse droom. „Ik denk dat ik dat niet zou kunnen, de hele tijd die plas over als je thuis een kind hebt. Dat tekent haar ambitie. Maar haar zoontje [van 11, red.] support haar heel erg.”

Tjeerd Oosterhuis: „Velen vroegen zich af waarom zo’n ervaren zangeres nog aan America’s Got Talent deelneemt. Maar dat is het mooie van Glennis, ze wil voor een zo groot mogelijk publiek zingen en gelooft ook dat ze dat kan. En kijk nou, ze flikt het gewoon met haar plek in de liveshows. Het verbaast me niet, ze is zo goed en heeft daarnaast een Amerikaanse uitstraling.”

‘On-Nederlands’, noemen ook vrienden uit de muziekindustrie haar optredens. Niet alleen door haar stem, ook door haar allure. In Nederland wringt dat soms. In Chantal blijft slapen is Grace te zien bij een optreden op een feestweek in Brabant. Met haar hoge hakken, mooie jurk en loepzuivere uithalen staat ze in een witte plastic biertent. Dronken mensen dansen in de zaal.

Sinds De Soundmixshow in 1994 is haar stem minder scherp geworden. Ze klinkt rustiger, meer ontspannen. De Raaff: „En ze zingt met meer emotie. Aan het begin van haar carrière kreeg ze wel eens te horen dat ze vooral technisch goed zong. Nu ze ouder is geworden, een kind heeft gekregen en het nodige heeft meegemaakt in de liefde, hoor je hoe goed ze zich inleeft.”

Ladies of Soul

Grace is altijd nummers van Whitney Houston blijven zingen. Zelfs op haar voornamelijk Nederlandstalige platen van een paar jaar geleden staan enkele Engelstalige Houston-covers. Vorig jaar zong ze bij de gelegenheidsformatie Ladies of Soul en ging ze viral met de Whitney Houston-klassieker ‘Run To You’. Ze had net besloten serieus werk te gaan maken van een Amerikaanse carrière, toen het balletje opeens vanzelf ging rollen. Ze kwam in contact met de music director van superster Justin Bieber en nam in Atlanta al een aantal liedjes op.

Volgens velen in de muziekindustrie staat niets haar in de weg om een wereldster te worden. Het is nu een kwestie van goede mensen bij elkaar zoeken die mooie hits voor haar kunnen schrijven en de marketing op gang kunnen krijgen, denkt De Buisonjé: „Anders heb ik nog wel een Engelse versie van Afscheid liggen.” Hij lacht hard.

Tjeerd Oosterhuis: „Het is heel goed dat ze nooit echt heeft geluisterd naar het advies om Whitney te laten vallen. Want juist die liedjes hebben eraan bijgedragen dat zij bekend is geworden in Amerika. Glennis is eigenwijs gebleven. Gelukkig maar.”

‘Ik deed met mijn grappen ook andere Nederlandse Marokkanen tekort’

Leraar Ismail Aghzanay (28), docent Engels, stond vorig jaar als cabaretier in de finale van Cameretten. Maar hij stopte met optreden. „Ik twijfelde over het verhaal dat ik op het podium vertelde.”

Dit artikel had eigenlijk een andere kop, een heel ander begin, andere citaten en een andere conclusie. Het zou gaan over Ismail Aghzanay die als cabaretier in de finale van Cameretten stond, met een voorstelling die hij onder de duonaam Waterkonijnen maakte met Musa Abdulwahab. Die voorstelling ging over het missen van affectie van zijn vader. Hij zei daarover in het interview: „De Marokkaanse cultuur is een machocultuur. Je bent harder, toont niet je gevoelens, niet je kwetsbaarheid. En je hangt helemaal de vuile was niet buiten. Dat deden mijn ouders dus ook niet.”

We bespraken ook hoe dat psychologisch heeft doorgewerkt in zijn leven. Aghzanay werd een leraar die heel veel tijd en liefde in zijn leerlingen stopt. Zijn populariteit onder de vmbo-leerlingen van het Rotterdam Designcollege leverde hem eind 2018 de titel ‘Leraar van het jaar van Rotterdam’ op. Als theatermaker kreeg hij daarnaast een contract bij een impresariaat.

Maar vlak na het interview stopte Aghzanay als cabaretier. Hij twijfelde over het verhaal dat hij op het podium vertelde. Het was niet onwaar, maar wel dik aangezet en juist met die overdrijving had hij problemen. „Het beeld in Nederland van Marokkaanse vaders is dat ze heel streng zijn en mijn collega en ik gebruikten dat. Onze vaders waren in de voorstelling ook heel hard, zodat mensen met ons konden lachen. Zo deden we alsof we nooit liefde of goedkeuring van hen kregen. Maar ik deed mijn vader daar eigenlijk mee tekort. Op een gegeven moment dacht ik, wacht eens even, maak ik die grappen over een strenge vader alleen voor de lach? Ik vond de grappen zelf eigenlijk veel te stereotyperend en misschien zelfs wel discriminerend”, legt hij in een telefoongesprek uit.

Het was maar een kant van het verhaal. „Thuis waren we met zijn zevenen. Mijn jongste zusje zat in een rolstoel en mijn ouders konden haar niet de juiste zorg geven. Ze zijn analfabeet, kunnen niet lezen en daarom was het voor hen extra lastig om goed voor mijn zusje te zorgen. Om die reden hebben mijn ouders ermee ingestemd om haar over te plaatsen naar een woongroep voor kinderen met een beperking. Ze gingen bijna elke dag naar haar toe, misten haar enorm. In zo’n gezin kan je niet verwachten dat je altijd veel aandacht krijgt, die moet verdeeld worden. Ik geef hun niet de schuld, zo was het gewoon.

„Maar mijn vader toonde ook echt wel zijn liefde. Toen ik leraar van het jaar werd zei hij tegen iedereen: ‘Mijn zoon, ik ben trots op hem, hij is leraar van het jaar.’ En hij wilde altijd dat we mooie kleren en mooie schoenen hadden. Daarnaast voetbalde ik in de jeugd bij Feyenoord en hij bracht me elke training. Dan zaten we naast elkaar in de auto en vroeg hij: ‘Alles goed?’ ‘Ja alles goed pa, met jou?’ En dan kwam hij met: ‘Doe je best jongen, wees respectvol naar je trainer.’ Vervolgens viel het gesprek wel dood, praten was niet zijn sterkste kant, maar met dat soort gebaren kon je zien dat hij van ons hield. Hij zei het alleen nooit zo letterlijk.”

Aghzanay twijfelde. Waren er andere manieren om zijn verhaal te vertellen dan stereotyperende teksten? „Maar ik denk niet dat dat in het cabaretgenre kan. Bij cabaret gebruik je zelfspot om de lach op te roepen, en je speelt met het beeld dat mensen van jou hebben. Alles vergroot je uit, maar daardoor kom je als Marokkaanse cabaretier veel sneller bij stereotyperende grapjes uit. Ik deed overigens niet alleen mijn vader tekort, ook andere Nederlandse Marokkanen.”

Het botste met zijn levensfilosofie. Jaren geleden gaf hij zichzelf een opdracht: verbinden. Juist daarom was hij op zoek naar een podium. Dat hij graag liefdevolle boodschappen wil verkondigen, is te horen in hoe hij praat. Aghzanay praat in tegeltjes. ‘Geen enkel kind is geboren met haat, haat is aangeleerd.’ ‘Je moet geloven in jezelf, dan kan je alles bereiken.’ ‘Bestrijd negativiteit met positiviteit.’

Het zijn voor hem nieuwe inzichten, als tiener was hij juist een rebel „Ik was geen leuke puber. Ik ging om met mensen die de verkeerde kant op zijn gegaan. Niet qua criminaliteit hoor, maar de ene blowde de hele tijd, de andere dronk te veel en een aantal stopte met school. Waarom? We voelden ons niet gewenst in Nederland, we hadden te maken met racisme. Elke dag hoorde een van ons wel eens: ‘Kutmarokkaan, flikker op naar je eigen land’. Onder die jongens was de sfeer van: we wonen hier wel, maar ze moeten ons niet.”

Ook op school was hij vervelend. „Ik begon te vloeken. Veel docenten werden dan boos. Ik moest op een gegeven moment naar het speciaal onderwijs. Daar werd het eigenlijk alleen nog maar erger.”

Hij bleef jarenlang de driftkikker, totdat hij op een gegeven moment als tiener meedeed aan de ramadan. „Dat is een tijd van introspectie. Een tijd om jezelf spiritueel te reinigen: elke dag naar de moskee, niet eten overdag. Ik voelde me zo goed in die periode. Veel positiever, veel vrolijker, ook tegenover anderen. Ik ging naar mensen glimlachen, zij glimlachten terug. Dat heeft echt iets in mij veranderd.”

De ervaring maakte hem religieuzer en toleranter. „Het is fijn om vriendelijk te zijn, daar word je veel gelukkiger van. Er is een vers in de Koran dat gaat over barmhartigheid: Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar leren kennen. Daarnaast staat er ergens in de Koran: Als iemand een mens het leven redt, dan is het net alsof hij de hele mensheid gered zou hebben. Dat zijn mijn mantra’s.

„Ik vind het fijn om me met dit soort teksten bezig te houden. Dat was trouwens ook lastig na Cameretten. Tijdens de finalistentour had ik veel minder tijd om naar de moskee te gaan, de Koran te lezen, te bidden en na te denken. Ik voelde mezelf weer afglijden, ik werd geen leuker mens, was moe, chagrijniger, kreeg een korter lontje en had minder aandacht voor mijn leerlingen. Toen ik eindelijk uitsprak dat ik wilde stoppen met cabaret, voelde ik me zo opgelucht.”

Aghzanay is nu enkel nog leraar Engels. Halverwege ons gesprek klopt een leerling op de deur. Een meisje met een groot pakket vol chocolade komt het klaslokaal binnen. Ze legt een ov-chipkaart op tafel. „Dankuwel meneer.” Aghzanay is wat verbaasd. „Ze heeft twee weken mijn ov-chipkaart geleend. Ze kon anders niet naar school.”

Hij toont een tekst op zijn mobiel, het huiswerk dat hij een paar weken geleden opgaf. Onder de opdrachten staan inspirerende woorden. ‘Keep believing in yourself. Geef niet op. Ik geloof in jou. Zolang je in jezelf blijft geloven zijn er sowieso twee mensen die in jou geloven. Ik en jijzelf.’

Hoe uit die focus op oprechte aandacht zich in de lessen? „Ik geef altijd complimenten. Dat kan gaan over hun sneakers, maar ook over hun huiswerk of dat ze zich kwetsbaar durven opstellen. En ik begin elke les met een gesprek, vaak duren die vijf minuten, maar soms een hele les. Het liefst in het Engels. Dat kan over alles gaan. Dan zeggen ze: ‘Meneer, jongens zijn echt raar’ of ‘Ik heb echt zo’n leuk meisje ontmoet, maar ik ben zo onzeker’. Of over de relatie met hun ouders. Dat zijn voor hen belangrijke thema’s. Geregeld zit ik tot zes uur met leerlingen te praten over hun leven. Of ze komen in een tussenuur langs. Ik ga ook wel eens met ze uit eten of bowlen.

„Ik geef Engels, maar had ook een ander vak kunnen geven. Vakken zijn erg belangrijk, maar school is zoveel meer dan dat. Als je geen leerlingen hebt, heb je geen school, enkel een gebouw, de kinderen zijn het hart van het onderwijs. Ik kom dichtbij als docent, want ik wil weten wie mijn leerlingen zijn. Dan zie ik wanneer ze niet goed in hun vel zitten, wanneer ik hen moet bijsturen, wanneer er echte problemen zijn thuis en of ik hen door moet sturen naar een maatschappelijk werker. Maar ik zie natuurlijk ook wat hun talenten zijn en probeer die te stimuleren.”

Gaat hij daar soms niet te ver in? Wat is het verschil tussen een leraar en een vriend? „Nou ik corrigeer ze wel natuurlijk. Niet vloeken, huiswerk af hebben, altijd schriften, boeken en pennen mee. Anders moeten ze nakomen. Maar iedere leerling kampt met dingen. Van de ene zijn de ouders gescheiden. De andere woont niet eens meer thuis. Of ze hebben het financieel moeilijk, sommige leerlingen kunnen zelfs geen boeken kopen. Het enige waar ze naar op zoek zijn is iemand die hen begrijpt, iemand die oprecht om hen geeft. Ik wil dat heel graag zijn.”

Interview Nienke Plas: ‘Ik zat liever thuis op de bank, dat was veiliger’

Nienke Plas noemt zich social comedian. Vanachter een camera schiet ze via YouTube, Facebook en Instagram grappen de wereld in. Op 3 oktober gaat haar cabaretvoorstelling in première.

Nienke Plas praat niet in zinnen, maar in grappen. En ze sjeest in gesprekken. In haar HAHALOG op YouTube komen er minutenlang in rotvaart rare ideeën, doorgeschoten gedachten en hilarische anekdotes uit haar mond. Vaak niet gepland. „Ik denk van tevoren even na over een onderwerp, bespreek dat met mijn verloofde, zet een kwartier later de camera aan en ga dan gewoon freewheelen.”

Inmiddels heeft ze op haar Instagram-pagina 526.000 volgers, op Facebook 147.000 en 280.000 fans op haar YouTube-account, waar ze haar HAHALOGS, een soort stand-up comedyvideo’s maar dan voor een camera, even heeft verwisseld voor haar #ShittyDiary, een dagboekverslag vol humor. Daarnaast schrijft ze een column in &C, het blad van Chantal Janzen, zat ze in Expeditie Robinson, heeft ze een rol in de nieuwe Nederlandse film F*ck de Liefde, presenteert ze programma’s voor KRO-NCRV, RTL en het Algemeen Dagblad, is ze genomineerd voor de Televisierring en heeft ze sinds kort haar eigen cabaretvoorstelling waarmee ze donderdag in première gaat.

Haar opkomst is opmerkelijk. Nienke Plas is 33 jaar, niet echt piepjong meer: waar was ze al die tijd? „Dat heb ik mezelf ook afgevraagd natuurlijk. Ik wilde als kind altijd al optreden. Maar mijn plankenkoorts was groter dan mijn honger naar het podium. Ik trad wel eens op, maar als het dan niet goed ging, stopte ik gewoon. Ik vond het te spannend wat andere mensen vonden. En ik had mijn lichaam ook niet onder controle joh. Mijn armen deden raar, mijn hoofd werd rood, mijn ademhaling kroop omhoog. Ik zat daarom liever met een badjas thuis op de bank, dat was een stuk veiliger.”

Ze probeerde het wel af en toe. Op haar zeventiende doet Plas mee met de eerste Idols maar krijgt te horen dat haar stem „te kinderlijk is”. Op haar 22ste wordt ze afgewezen voor een theateropleiding. „Welke weet ik niet eens meer. Ik heb het verdrongen.” Een paar jaar later volgt ze een cabaretcursus. „Ik had gemerkt dat ik een gangmaker kan zijn. Vriendinnen moesten vaak heel hard lachen om mijn verhalen.” In de lessen is ze populair. „Voor de uitvoering zeiden mijn collega’s: ‘o, je bent zo goed, als ik tijdens de uitvoering maar niet achter jou moet’. „Maar bij de uitvoering ‘wilde ik dood’. Niemand lachte. Alleen mijn beste vriendin. Het was vreselijk. Ik dacht, als het zo moet, laat maar.”

Tot die ene avond in januari, drieënhalf jaar geleden. Nienke past thuis op haar zoon, haar vriend is stappen in een tent in Amsterdam. Ze krijgt een appje. „Wat jammer dat je er niet bent, Lady Gaga komt optreden. Ik dacht, waarom word ik genaaid door het universum? Ik heb mijn vriend geappt om te zeggen dat hij naar huis moest komen zodat ik naar het optreden kon, maar dat wilde hij niet. Op camera heb ik toen mijn hart gelucht. Aan het einde heb ik nog even mijn middenrif opengezet en een liedje van Lady Gaga a capella eruit geperst. Daarna ben ik gaan slapen.”

De volgende dag hoort ze haar vriend, Resley Stjeward, schateren op het toilet. „Wij zijn zo’n stel dat met de deur open kakt. Hij vroeg: heb je gezien hoeveel mensen deze video hebben geliked? 400 likes, nogal veel voor een onbekend iemand.

„Hij zei: dit is wat je wilt. Je hebt een podium voor jezelf gecreëerd en gebruik dat. Je moet nu springen. Binnen twee weken hebben we mijn Facebookaccount omgezet naar een pagina en heb ik mijn eerste video gemaakt over Ariël die haar benen niet kan sluiten. Dit durfde ik wel, in mijn eigen huiskamer ging ik niet dood. Ik werd daarna steeds vaker uitgenodigd om ergens te spreken. En elke keer brokkelde de onzekerheid in me af.”

Cabaret

Terwijl haar vlogs steeds populairder worden, ontstaat het idee om een cabaretvoorstelling voor het theater te gaan maken. Haar show gaat over haar aanloop naar dat ene filmpje dat haar leven veranderde. „Hoe ben ik de Nienke geworden die ik nu ben?” Haar regisseur is Jessica Borst, niet de minste. Ze regisseerde al eerder Dolf Jansen, Brigitte Kaandorp, Sara Kroos, Louise Korthals en Pieter Derks. „De eerste keer dat ze me zag, zei ze: je hebt talent. Dat vond ik zo fijn. Kijk, ik hoef niet duizenden veertjes in mijn naad te hebben, maar zij is een kenner, ze heeft het vak bestudeerd, haar compliment gaf me toch bevestiging.”

Haar eerste try-outs gaan goed. „Bij de eerste heb ik nog wel even geknetterd als een pruttelpan vooraf hoor, maar mijn hoofd had al veel meer rust. Het is natuurlijk ook even wennen, comedy in het theater is wel iets anders dan comedy achter een camera. In mijn vlogs zeg ik dingen maar één keer, op het podium moet ik de hele tijd dezelfde teksten blijven herhalen en elke keer moeten ze klinken alsof ik die op dat moment verzin. Dat gaat goed, maar soms maak je contact met iemand op de eerste rij en dan denk je opeens, nou ja, die man lijkt wel op mijn oude leraar. Dan ben je helemaal uit je focus. En dat merkt het publiek.”

Haar show vervangt haar vlogs niet. Elke maandag en donderdag publiceert ze op YouTube een #ShittyDiary. Ze houdt van social media, al is dat gek genoeg ook de plek waar negativiteit de wet volgt van de zwaartekracht: het is er altijd. Vindt ze dat niet erg? „Ik vind het nu soms juist lekker om te reageren op van die zeikerds. Ik heb wel eens een comedyfilmpje gemaakt voor een bedrijf en iemand had daarop gereageerd met: slechtste reclame ooit. Dan ga ik even op zijn profiel kijken, even kijken wat zijn werk is en wie zijn vrienden zijn. En vervolgens maak ik een grapje dat net even te waar is. Ik zei: jouw hoofd ook. Hij haalde het commentaar vrij snel weg.”

Ze is inmiddels een stuk zelfverzekerder. „Nu denk ik wel eens: jeeeetje, ga je goed, met je lange aanloop. Maar blijkbaar had ik dit nodig.”

Interview De Verleiders Female: ‘Ons hele systeem is vrouwonvriendelijk’

Vijf actrices maken een voorstelling over de ongelijkheid tussen man en vrouw. Een gesprek in de bus op weg naar een try-out. „Het komt erop neer dat wij mannen niet op hun bek kunnen slaan. Zij ons wel.”

Jelka van Houten heeft net een vlammend betoog gehouden over de meeste medicijnen die nooit getest worden op vrouwen, als ze vlak daarna met Eva Marie de Waal een quiz leidt over het vrouwelijk geslachtsorgaan. „Dat pas in 2001 voor het eerst wetenschappelijk is onderzocht.’’ Achter haar staan actrices Susan Visser, Stephanie Louwrier en Gusta Geleijnse in een clitorispak, een rood-roze creatie die wat wegheeft van een massagespin met in de top een klein gaatje voor het gezicht. Met een verhoogde stem roept Visser: „Hoe meer je met mij speelt, hoe gevoeliger ik word.’’ Ze probeert te springen, maar echt bewegen gaat niet, wat de situatie koddig maakt.

De nieuwe voorstelling De Verleiders Female gaat over de machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen. 6 november gaat de show met de actrices in première. De zwangere Eva Marie de Waal wordt na een paar weken vervangen door Dunya Khayame, die ook meeschreef aan het script, vertellen ze in het interview in een busje op weg naar de derde try-out.

Louwrier: „Veel mensen zeggen tegen ons: maar het gaat toch best wel goed met de emancipatie? Maar ik werd behoorlijk depressief tijdens het schrijven.”

Visser: „Er zijn natuurlijk veel dingen veranderd. Als je mijn leven vergelijkt met het leven van mijn moeder dan heb ik veel meer kansen gekregen. Ik heb gestudeerd. Mijn moeder is op haar 13de van school gehaald omdat ze voor haar broertjes en zusjes moest zorgen. Haar moeder probeerde thuiszorg te krijgen maar dat kreeg ze niet omdat ze een dochter van 13 had en die kon dat toch makkelijk doen. 13! Kind nog. Maar veel dingen wist ik niet. Tijdens het informatie verzamelen dacht ik: mijn God, in wat voor wereld leven we?”

Geleijnse: „De discussie over machtsongelijkheid gaat over quota, glazen plafonds of over vrouwen die vaak niet fulltime werken. Niet over waarom onze samenleving op zo’n traditionele manier is ingericht. Ons hele systeem is vrouwonvriendelijk. Dat is de blinde vlek.”

Van Houten: „Ik had ook hiervoor dat naïeve idee van, het valt toch allemaal wel mee met de ongelijkheid?Ik had zelfs een allergie voor de opstandigheid van vrouwen. Maar er is een beerput opengegaan.”

Wat zijn de schokkendste dingen?

Van Houten: „Voor mij is dat de gezondheidszorg. Heel veel medicatie is nooit op vrouwen getest. Dat raakt mij persoonlijk want ik heb veel medicijnen geslikt in mijn leven en heb daar veel bijwerkingen van gehad. Nu denk ik, komt dat door mijn lijf? Of is het omdat er heel weinig onderzoek wordt gedaan naar vrouwenlichamen? Het maakt me ook zenuwachtig. Ik slik medicijnen en nu denk ik elke keer: is dit wel goed voor mijn vatenstelsel of is dit vooral goed voor een mannelijk vatenstelsel?”

De Waal: „Ik vind de inkomensongelijkheid nog steeds schokkend.”

Geleijnse: „Er wordt vaak gezegd: vrouwen komen niet op voor zichzelf qua salaris. Maar dat is niet waar, vrouwen vragen wel om loonsverhoging, maar krijgen dat 25 procent minder vaak dan mannen. Of vrouwen worden afgedaan als slap omdat ze allemaal parttime werken. Maar vrouwen doen het onzichtbare, niet gewaardeerde werk in de samenleving. De zogenoemde participatiemaatschappij komt bijvoorbeeld op het bord terecht van vrouwen, omdat zorgtaken bijna altijd aan vrouwen worden overgelaten. De vraag is niet waarom vrouwen niet meer fulltime werken, maar waarom mannen niet meer parttime werken.”

Verdienen jullie hetzelfde als de mannelijke Verleiders?

Visser: „Nou daar hebben we echt een enorme bijeenkomst over gehad waarin de emoties hoog opliepen. Ga ik dit eigenlijk wel vertellen? Laat ik het zo zeggen, het is uiteindelijk goed gekomen.”

Louwrier: „Die mannen hebben iets opgebouwd. Zij zijn een instituut.”

Geleijnse: „We krijgen hetzelfde inkomen als zij tijdens hun eerste show.”

Louwrier: „We wilden vooral meer openheid over financiële vergoeding tussen mannen en vrouwen. Jelka is zelfs gaan appen met andere acteurs met de vraag: hoeveel verdien je?”

Van Houten: „Ik heb met acteurs, regisseurs, agenten gesproken. De conclusie: ook al zeggen producenten dat ze mannen en vrouwen gelijk betalen, vrouwen verdienen echt minder. Ze zeiden dat vrouwen minder makkelijk voor zichzelf opkomen. Maar ik ken actrices die net zo hard onderhandelen als mannen, en die hebben echt minder werk. Vrouwen krijgen vaker het stempel ‘lastige vrouw’.”

Visser: „Ik zat op de toneelschool toen ik mijn eerste klus kreeg. Ik kwam erachter dat de mannelijke acteur die net zo oud was als ik en net zo veel ervaring had, veel meer betaald kreeg. Ik heb toen gezegd: dan kom ik niet. Ik was woedend, maar echt woedend. Ik heb uiteindelijk hetzelfde bedrag gekregen.”

Susan Visser deelt in de voorstelling ook een andere frustratie. Halverwege doet ze een meditatie voor mannen, geïnspireerd op een twitterdraadje van schrijver A.R. Moxon. „Ga zo zitten dat je ballen de ruimte hebben.” Op sprookjesachtige toon begeleidt ze de mannen naar het moment dat de rollen in de wereld zijn omgedraaid. „Bedenk hoe je onverwacht op een dag bij je ballen gegrepen wordt. Je voelt hoe die hand sluit rond je zak.”

Geleijnse: „Het is natuurlijk schokkend hoeveel vrouwen met seksueel ongepast gedrag te maken krijgen.”

Van Houten: „Ik ben ooit ontslagen in een café waar vrouwen allemaal een kort rokje moesten dragen, omdat ik niet met een manager naar bed wilde. Mijn baas had alle vrouwen gehad en ik wist: kak, nu ben ik aan de beurt. Toen hij me benaderde heb ik heel duidelijk aangegeven dat ik dat niet wilde. Die avond was ik mijn baantje kwijt.”

Louwrier: „Ik speelde tijdens mijn studie in een jeugdserie met een oudere regisseur. Na de draaidagen zei hij: ik ben verliefd op je geworden, ik vind je fantastisch en wil je na de wrap party naar huis brengen. Ik zei: ik wil dat niet, hij stond erop. Ik heb toen tegen iedereen op dat feestje gezegd: ik mag niet alleen met hem naar huis. Ik voelde me onveilig.”

Hebben jullie allemaal een #metoo-ervaring?

Visser: „Ja. Maar ik vind het niet nodig om over mijn eigen ervaring te praten. Bijna alle vrouwen zijn wel eens ongewenst betast. Het komt zo vaak voor en daar word ik zo boos en verdrietig van. Het is heel goed dat de beerput is opengegaan. Dat mannen zich nu gaan afvragen, kon dit of was dit over de grens?”

Van Houten: „In de normale situaties moeten vrouwen sowieso meer lichamelijke grenzen over. Een vriendin vertelde dat ze bij een zakenmeeting als enige de mannelijke klanten drie zoenen moet geven. Dat wil ze helemaal niet. Haar mannelijke collega’s geven gewoon een hand.”

Geleijnse: „Veel mannen weten niet dat ze een geprivilegieerde positie hebben.’’

Van Houten: „Uiteindelijk komt het erop neer dat wij mannen niet op hun bek kunnen slaan. Zij ons wel. Als ik op straat word nagefloten, zou ik willen zeggen: hou op. Maar met een hoek ben ik neer.”

Is jullie leven nu veranderd?

De Waal: „We hebben allemaal thuis meer ruzie gehad over het huishouden.”

Louwrier: „Tijdens de repetitieperiode kwam ik thuis en zag ik dat mijn vriend de vaatwasser weer niet had uitgeruimd. Ik werd daar veel bozer om. De dag daarna zat hij wel heel schattig zijn boxershorts en sokken te sorteren.”

Geleijnse: „Het is voor mij heel fijn dat mijn partner Tom [De Ket, oprichter van de Verleiders en de regisseur, red.] heeft meegewerkt aan de voorstelling. Sommige feiten hebben echt iets met hem gedaan. Vooral dat vrouwen vaker parttime gaan werken na de zwangerschap en daardoor een slechtere positie krijgen op de arbeidsmarkt. Ik heb gevechten geleverd toen ik zwanger was, maar die heb ik wel verloren. Ik was degene die minder moest werken, want ik verdiende minder dan hij. Ik ben heel blij dat Tom nu heeft gezien dat ik dingen in mijn carrière heb moeten inleveren omdat wij samen een kind kregen. Hij zegt nu: verdomme, ik heb het ook maar gewoon laten gebeuren. Maar het is lief dat hij dat toegeeft.”

Jullie spelen ook mannen in jullie voorstelling, maar dat zijn stereotypes. Egoïstische bierdrinkende mannen.

Louwrier: „Onze partners zeggen dat ook.”

Werkt het dan wel? Zit ongelijkheid niet meer in onbewust gedrag? Een tijdje geleden ging ik met mijn familie in de auto weg. Mijn vader wilde niet rijden en vroeg mijn vriend: rij jij? Terwijl hij drie dochters heeft.

De Waal: „In de stereotypering zit de humor. De voorstelling moet niet alleen maar serieus zijn natuurlijk. Maar inderdaad, mijn vader heeft mij geëmancipeerd opgevoed, maar als het gesprek over geld gaat richt hij zich tot mijn vriend. Dat is zo’n bizarre blinde vlek.”

Geleijnse: „Die ongelijke rolverdeling zit onbewust keihard in onze maatschappij gesleten. En natuurlijk, mannen hebben daar ook last van. Jens van Tricht heeft een boek geschreven over Toxic Masculinity waarin hij zegt dat gevoel bij jongetjes in de kiem wordt gesmoord. Pijn en frustratie kunnen daarom sneller worden omgezet in agressie. Dat benadrukken we ook in de voorstelling. Het patriarchaat verneukt ons allemaal.”

Interview cabaretier Kees van Amstel: ‘Ik kan niets. Ik moet van deze aarde af. Waarom ben ik artiest’

Kees van Amstel begon pas eind dertig met cabaret. Te laat, denkt hij. Al lijkt de parttime leraar nu op zijn 54ste door te gaan breken. „Ik had als leraar alles in de vingers maar op het podium werd ik zo ontzettend onzeker.”

Hij heeft het vaker gehoord, verzucht Kees van Amstel (54). Hij ziet er inderdaad uit als een typische leraar, dokter of ambtenaar. „Cabaretier Johan Goossens zei ooit: daar komt de hoofdboekhouder aan.” Van Amstel vertrekt even met zijn gezicht. „Dat is niet leuk om te horen. Maar ik kan hem niet ongelijk geven. Je wilt het niet zijn, maar je hoofd verander je niet.”

Bij het satirische tv-programma Klikbeet maken ze gretig gebruik van zijn uiterlijk. Van Amstel speelt geregeld de saaie burgersukkel, al stopt hij de rollen wel vol opgekropte seksuele verlangens, woede-uitbarstingen of totaal hysterisch verdriet.

Zo ver van zijn eigen leven staan die rollen van Klikbeet niet. Kees van Amstel is werkelijk twee dagen per week leraar en heeft daarnaast ook een rauwere, maar niet Klikbeet-geflipte rand. „Ik ben ooit een keer meegegaan met Ajax-supporters naar Groningen. Kom ik in dat stadion toch in een totale sloop terecht. Een jongen achter me schreeuwde: jij daar, trekken aan dat rek. Ik dacht eerst: nee, dat doe ik niet. Maar ik kon niet terug, anders werd ik zelf in elkaar geslagen. Stond ik daar aan dat hek te trekken.” Met een zacht Mr. Bean-stemmetje: „Joduuuh joduuh joduuh. Ondertussen zoomde de NOS-camera vol op mijn gezicht in. Ik dacht, goh dit zullen mijn leerlingen leuk vinden.”

Over het spanningsveld tussen een rustig leventje en zijn avontuurlijke kant gaat zijn nieuwe voorstelling: Een bang jongetje dat hele enge dingen doet.

Waarom ging je mee met die Ajax-supporters?

„Hoe noem je het als je geen keuze kan maken omdat je bang bent om die keuze te maken? …Fear of missing out. Ik wil bijzondere dingen ervaren, dingen meemaken. Ik ben jarenlang reisleider geweest. Dan beleef je ook de idiootste dingen.”

Je was leraar, eind dertig en ging opeens als comedian op een podium staan. Is dat hetzelfde?

„Dat weet ik eigenlijk nog steeds niet. Ik had comedy in Londen gezien en dacht: dit wil ik ook. Vlak daarna was ik met vrienden bij het casino en we stonden bij de roulettetafel. Ik zei: als hij op één valt, dan ga ik ook ooit ergens optreden. Die roulette draaide en ja hoor, hij kwam terecht bij de één. Nee nee nee zei ik, laf dat ik was, als hij nog een keer op één komt dan ga ik echt optreden. Je raadt het al, weer op een één. Ik kon niet meer terug.

„Het eerste optreden ging eigenlijk wel goed. Mijn relatie was net uit en daar ging ik over tekeer op het podium. Na een paar optredens vroegen ze bij Comedytrain of ik auditie wilde doen. Ze zeiden daar: je wordt het niet, er doen ook ervaren mensen mee, maar dan krijg je te horen wat je niet goed doet en dat is nuttig. Dat vond ik een heerlijke positie, ik had niets te verliezen. Stond de dag na de auditie Raoul Heertje opeens op mijn voicemail: ‘Ja ik ga het gewoon zeggen: je bent aangenomen.’ Ik heb hem geschrokken teruggebeld: ik heb een volledige baan als leraar, ik weet niet of ik dit wel wil. Hij reageerde boos: vind je het leuk of niet? Als je het leuk vindt, dan tot in september.”

Wat heb je geleerd bij Comedytrain?

„Bij Toomler deed ik in het begin vooral korte stukjes met grappen. Je trekt een soort sprint. Grapjes zijn leuk, ze zijn de koekjes voor je publiek, maar de verhalen beklijven. Daar kwam ik na jaren pas achter. Elk jaar ga ik naar België waar ik een cursus volg bij een Belgische regisseur. De eerste keer dat ik daar was zei hij [Van Amstel doet een Vlaams accent na]: ‘We gaan eerst praten. Niet over koetjes en kalfjes, maar over het grootste trauma in je leven.’ En ineens ga ik vertellen, een verhaal dat ik bijna niemand had verteld. Dat ik een vriendin had. We woonden samen. Ze is zwanger. We hadden feest gevierd, yes we gaan het doen. Ik was in euforie. Ik zei: ik ga een ander huis kopen, waar moet de wieg staan, zal ik een dag minder gaan werken? Na een maand kwam ik thuis, ze zat op de bank en zei: ik heb het weg laten halen.

„Dat verhaal had ik alleen aan een vriend verteld. Mijn ouders wisten nergens van. Maar ik moest het van die regisseur aan een groot publiek vertellen. Aan het einde kwam er een man naar me toe, [Vlaams accent]: ‘Dat verhaal snijdt door mijn keel, dat is geen kunst meneer. Ik heb pijn, jah.’ Dat was voor mij wel een realisatie wat verhalen kunnen doen in het theater.

„Ik heb dit verhaal uiteindelijk ook in mijn eerste solo verteld. Ik weet nog goed dat mijn moeder na afloop naar me toe kwam: ‘Kees wanneer kom je bij ons eten? En je vader en ik willen graag weten, wat fictie en werkelijkheid is in voorstelling.’”

Waarom had je het niet eerder verteld?

„Ik dacht echt: dit gaan ze zo verschrikkelijk vinden. Dit is wat mijn moeder zo graag wil. Misschien dacht ik, onbewust, ik heb dit nog nooit uitgesproken, ze doet dat meisje wat aan. En misschien was het ook een soort schaamte.

„Ik leerde trouwens bij Comedytrain ook veel over mijn karakter. Als docent was ik redelijk zeker van mezelf. Ik was iemand: zat in landelijke leerplancommissies, had een schoolboek geschreven. Ik had de onderwijswereld in de vingers. Lastige klas, leuke klas, het maakte niet uit. Maar op dat podium werd ik zo ontzettend onzeker. Mijn eerste avond stond ik met Najib Amhali, Marc-Marie Huijbregts en Eric van Sauers in de line-up. Ik dacht, ze zijn gek bij Comedytrain. Ik kwam maar met zes minuten aan grapjes. Ik was zo nerveus. Ze vroegen me: ‘Ben je zenuwachtig, dan moet je buiten gaan kijken.’ Daar stond Marc-Marie Huijbregts van de zenuwen over te geven. Blijkbaar hoort het ook wel bij het vak van comedian. Artiesten zijn fijngevoelig. Je wilt niet falen en bij stand-upcomedy is het wel meteen duidelijk wanneer je faalt: als het publiek niet lacht. Als dan twee grappen niet werken denken mensen: hé, het clowntje is stuk.

„Natuurlijk gingen optredens ook niet goed. Vroeger verprutste ik het te vaak. In plaats van dat ik de tijd nam en rustig nadacht over wat ik ging doen, keek ik naar het publiek ken dacht: o, wat erg, deze mensen gaan mij niet leuk vinden. Uit paniek ging ik dan iets anders doen en dat viel dan helemaal verkeerd. Dan dacht ik: zie je nou, ik kan niets. Ik moet van deze aarde af. Waarom ben ik artiest?”

Als je ouder wordt, word je ook zelfverzekerder, zegt mijn moeder altijd.

„Nou, niet deze jongen. Tim Fransen kwam een tijd geleden naar mij toe en zei [met wat lomere stem]: ‘Ik zag je vaak in Toomler. Ik dacht altijd, jeetje wat is die gozer zelfverzekerd op dat podium. Maar nu ken ik je en weet ik wat voor onzeker wrak je bent.’ Al voel ik me tijdens avondvullende voorstellingen een stuk rustiger, dan hoef ik minder met alleen maar grappen te scoren.

„Maar ik ben recent voor die onzekerheid naar de psycholoog gegaan. Ik heb aan haar gevraagd: ‘Hoe kan iemand die met zoveel liefde is opgevoed, zich zo vaak zo onzeker voelen? Ik mocht alles van mijn ouders en ze stonden altijd klaar voor me. Ik ben niet gepest. Ik had en heb een leuk leven.’”

Wat was de conclusie?

„Ze zei niet zo veel. Na tien sessies wilde ik zo langzamerhand wel weten of het goed ging. ‘Zo werkt het niet’, zei ze dan. Ik heb op een gegeven moment letterlijk gezegd: ‘Ik heb het gevoel dat ik het hier ook niet goed doe.’”

Je werd onzeker van de psycholoog?

„Ja, eigenlijk wel. Conclusie: ik weet het nog steeds niet.

Je bent in 2002 bij Comedytrain gekomen. Het is nu 2019. Toen ik zei dat ik je ging interviewen wisten veel mensen niet wie je was.

„Ik ben te laat begonnen. Als je bekend wilt worden als cabaretier, dan heb je televisie nodig. En bij televisie willen ze jonge mensen. Ik heb vaak meegewerkt aan een pilot en dat ik achteraf te horen kreeg dat ik te oud was voor de doelgroep.”

Hoe gaan we als maatschappij om met ouderdom?

„Bij televisieprogramma’s maak je geen schijn van kans als je ouder bent dan 49. Alleen jong is interessant. Het is om moedeloos van te worden.”

Je bent 54, wil je nog steeds kinderen?

„Het is lang een van mijn grootste verlangens geweest. Maar ik vind mezelf nu te oud. Het verdriet is ook minder geworden. Ik vraag mezelf ook wel eens af: is dit ook de fear of missing out? Wil ik echt een kind? Zo’n kind neemt je hele leven over. Ik weet niet eens of ik de tijd terug had willen draaien. Ik ben gaan optreden omdat die relatie na die abortus is gestrand. Dat was mijn materiaal. En als ik een kind had gehad, had ik geen tijd gehad om in vieze kroegen te staan. Dan had ik luiers moeten verschonen. Ik heb nu een rijker leven. Die malle artiesten nemen me mee in een andere wereld. Ik heb andere boeken gelezen en heb scherpere gesprekken. Misschien als ik vader was geworden en enkel leraar was gebleven, dat ik in totaal gelukkiger zou zijn, maar ik zou ook een saaier leven hebben.”

Dan zou jouw avontuurlijke kant geen plek krijgen?

„Ja. Die spanning en die ontlading, het applaus van het publiek, het gevoel dat een voorstelling gaat lukken, dat is fantastisch. Daarom sta ik op het podium, denk ik.”

Interview cabaretier Patrick Nederkoorn ‘Onoprecht zijn gaat me steeds slechter af’

In zijn voorstelling ‘Ik betreur de ophef’ fileert Patrick Nederkoorn zichzelf als oud-raadslid van Amersfoort. „Ik pel mezelf elke avond opnieuw af totdat er een hoopje mens overblijft.”

Cabaretier Patrick Nederkoorn was begin 2012 op zaterdagochtend vroeg op weg naar het talentenklasje van D66. Zijn regisseur en oud-leraar Pieter Bouwman belde. Gek, zijn regisseur is nooit voor 12 uur op. Uit het niets, zonder te weten waar Nederkoorn naar op weg was, riep hij door de telefoon: „Als je niet stopt met die politiek werk ik nooit meer met je.” En hij hing op.

Volgens Bouwman was je aan het begin van de Koningstheateracademie een ijdel mannetje en had je een houding ontwikkeld door de politiek.

„En dat ijdele praatte ik naar mezelf toe goed. Ik zei: het is geen ijdelheid, ik ben gewoon heel goed in bepaalde dingen. Pieter zei me: als je zo blijft, heb je niets op het podium te zoeken. Hij had gelijk, ik was vooral buitenkant geworden. De pleasende, vriendelijke jongen die politieke spelletjes speelde. Wat deed ik daar? Welke idealen had ik? Ja, ik hield van politiek, ik vind het een ontroerend concept: dat we met elkaar accepteren dat we het niet alleen kunnen en elkaar nodig hebben om wat van de wereld te maken. Bij de plaatselijke partij ‘Jouw Amersfoort’ zochten ze nieuwe mensen; het was een kans en ik greep hem.”

Je had helemaal geen idealen toen je begon?

„Weet je wat het gênantste was? Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 ging ‘Jouw Amersfoort’ over in D66, een partij waarmee ik me eigenlijk voorheen niet identificeerde. Een jaar na de verkiezingen werd ik daar fractievoorzitter van. Op dat moment dacht ik pas: laat ik het verkiezingsprogramma maar eens gaan lezen. Dat is wel ernstig toch? Ik had ook te vaak stukken van tevoren niet bekeken en dan deed ik alsof ik dat wel had gedaan. Dat gebeurt natuurlijk heel vaak in de raad want je moet elke week honderden pagina’s doornemen terwijl velen ook nog een baan hebben. Ik ben overigens nooit een raadslid tegengekomen die eerlijk zei: sorry, ik zit hier maar ik heb het niet gelezen. Waarom niet? Waarom kunnen we niet oprecht zijn?”

Maar wat deed je daar dan?

„Ik vond de politiek gewoon een fantastisch spel. Ik hou van smoezelige spelletjes. Ken je weerwolven? Daar spreek je af: ik mag tegen jou liegen. Ik doe alsof ik de onschuldige burger ben en ondertussen ben ik maffialid. Maar ik heb dat spel ooit gespeeld op mijn stage en opeens begonnen andere stagiairs te huilen. Ik begreep er niets van. Zij zeiden: waarom lieg je tegen mij? Ik zei: waarom lieg ik? We zijn toch een spel aan het spelen? Zij vonden zo heftig dat ik er geen enkele moeite mee had om te liegen.”

Word je zo in de politiek of was je al zo?

„Ik ben er altijd heel goed in geweest om aan te voelen wat er speelt bij een zaal, een gezin of een persoon. Hoe meer contact ik vroeger had met een docent, hoe beter ik mijn best ging doen bij zijn vak. Ik voelde heel snel wat er van mij werd verwacht in de politiek, hoe het spel werd gespeeld en daar was ik gewiekst in. Maar ik was ook heel jong, ik was nog helemaal niemand. Zoals ik in de voorstelling zeg: het is moeilijk mens worden in de politiek. In een omgeving waar vorm vaak belangrijker is dan inhoud.”

Is je voorstelling veranderd na de verkiezingsuitslag in maart?

„Ik heb wel gefascineerd naar de uitslag gekeken. Blijkbaar zijn de grote gevestigde partijen steeds slechter in staat om mensen aan zich te binden. Ik ben onderdeel geweest van die klassieke partijen. Ik stel mezelf in de voorstelling nu wel de vraag: heb ik bijgedragen aan het dalende vertrouwen? Heeft mijn optreden de politiek goed gedaan?”

Je neigt naar nee?

„Ja. Ik zeg in de voorstelling: het huis van de democratie deugt wel, maar wie er komen en hoe we daar met elkaar omgaan, deugt niet. Politici kijken naar peilingen en kiezers, en zijn de hele tijd bezig met de vraag: doe ik het goed volgens die bepaalde groep? Veel politici worden dan glad en geslepen, en vergeten te vechten voor een groter ideaal. Voor iemand met mijn karakter, iemand die wil pleasen, is het een gevaarlijke omgeving. Wanneer je een verbinder probeert te zijn zonder je eigen gevoel mee te nemen, word je gewetenloos op een bepaalde manier. Die onoprechtheid is denk ik wat zoveel mensen frustreert en wat ervoor zorgt dat mensen het vertrouwen verliezen. Maar mijn voorstelling is niet voor mensen die al het vertrouwen al zijn verloren. Ik ben ook niet cynisch over de politiek. Ik denk dat deze voorstelling er echt is voor mensen die bij de gevestigde politiek horen, en die zich te weinig afvragen: wat is dit voor wereld, en deugt die wereld wel? De tragiek is dat bij partijen als FVD de signalering van bepaalde problemen wel klopt, maar de oplossing niet. Toch vind ik het niet raar dat mensen dat denken: laat die partij het dan doen.”

Je won twee weken geleden de Annie M.G. Schmidtprijs voor een lied uit Leuker kunnen we het niet maken, een duo-voorstelling met Jan Beuving. Maar je zingt helemaal niet in je eigen voorstellingen.

„Omdat ik geloof dat je de vorm moet zoeken bij de inhoud die je hebt. Bij deze voorstelling zou ik het heel gek vinden als daar opeens een lied in zit. En dat was bij mijn andere voorstellingen ook zo.”

Toen ik hoorde dat je genomineerd was voor de Annie M.G. Schmidtprijs dacht ik eerlijk gezegd: dat zal vast een mooie tekst van Jan Beuving zijn, maar ik ben benieuwd hoe iemand die nooit zingt, het uitvoert. Bleek je prachtig te kunnen zingen.

Lachend: „Dat heb ik heel vaak gehoord. Jan heeft ook een fantastisch verhaal geschreven en Tom [Dicke, red.] een heel mooie compositie gemaakt. Ik ben daarom heel blij dat mensen niet vinden dat ik het lied heb vernacheld met mijn uitvoering. Daar was ik toch onzeker over. Ik ben geen klassieke zanger. Geef me een melodie en ik heb hem niet meteen onder de knie. Ik ben meer een acterende zanger. Ik wil een verhaal vertellen. Dat is ook wat de jury tegen mij zei. Dat ik in een lied de randen van de emoties opzoek. Dat vond ik op de Koningstheateracademie ook prachtig om te doen. Ik heb veel liedjes van Jacques Brel gezongen.”

Wat heb je er nog meer geleerd?

„Ik ging naar de opleiding nadat ik al politicologie en theologie had gestudeerd. Ik was de slimme rationele jongen met de goede cijfers. Maar op een cabaretopleiding is het niet zo dat de student die de meest geschoolde opmerkingen maakt, de beste cabaretier wordt. We moesten bijvoorbeeld pilates doen. Je hebt daar de oefening ‘de zaag’. Dat was elke keer een worsteling. Ik dacht: er is echt niemand op de wereld die nu denkt, die jongen doet de zaag. Ik had geen controle over mijn lichaam.

„Maar het was heel goed voor me. Ik kwam daar eigenlijk binnen als een wandelend hoofd en ontdekte dat ik ook nog een lichaam was. Het klinkt misschien gek, ik wist natuurlijk wel al dat ik een lichaam had, was het al eens tegengekomen in de spiegel, maar ik kwam erachter dat je ook kon luisteren naar dat lichaam, naar onrustgevoelens en verlangens. We hebben die vaak in het dagelijks leven uitgeschakeld, doen alsof ze er niet zijn. Maar die ervaringen maken ons wel mens.”

Je gebruikt die gevoelens ook op het podium. In je eerste voorstelling ‘Code Rood’ was je een gewetenloze mantelzorger. Je regisseur zei daarover: „Ik heb hem laten geloven dat hij een personage speelt.”

Met een lachend gezicht vol verbazing: „Zei hij dat? Wat vals zeg. Oooh, nee, dat is niet zo. Toch?” Keert even in zichzelf. „Nee! Dat is niet zo.” Verbouwereerd: „Ik vermoord iemand in die voorstelling.”

Je keuze voor Pieter Bouwman is opvallend. Hij staat erom bekend mensen niet te sparen. Waarom gaat een ijdele jongen met Pieter Bouwman werken?

„Ik heb ook met een aantal andere regisseurs gewerkt, totdat ik er dan weer achter kwam dat ik hen had ingepalmd. Pieter is niet in te palmen. Hij is niet bang om ruzie te maken en hij kan na veertien keer nog zeggen: ja maar waarom zeg je dit, wat voel je echt, wat is je echte gedachte? Pieter zegt altijd: je kan pas echt troosten en mensen aan het lachen krijgen als je je vuilnisbak met zooi op tafel gooit. Hij heeft me in het begin van onze samenwerking ook een lijst laten maken met al mijn vervelende eigenschappen en van daaruit moest ik gaan maken. Die pleasende, gevatte, vriendelijke, toegankelijke, verbindende jongen heeft Pieter er behoorlijk uitgeramd.

„En hij leerde me vragen stellen. Dat je als cabaretier niet het antwoord hoeft te hebben. Dat is echt anders dan in de politiek. De politiek wil de wereld kleiner en overzichtelijker maken om mensen het idee te geven dat er makkelijke antwoorden zijn. Cabaret stelt vragen en maakt de wereld juist opener. Het gekke is dat theater vaak wordt gezien als een verzonnen wereld en politiek als de realiteit, maar in het theater ben ik eerlijker dan ik in de politiek ooit ben geweest.”

Interview Kiki Schippers: Ik ben nu eenmaal druk, chaotisch en eigenwijs

Na een zwaar auto-ongeluk lukt het Kiki Schippers toch weer haar tweede cabaretprogramma te spelen. „Ik zoek mensen om me heen met een sterk karakter. Bij minder sterke mensen komt er een dag dat ik over ze heen wals.”

Kiki Schippers komt het café binnen lopen en verontschuldigt zich meteen. Ze heeft last van hoofdpijn, rugpijn en is moe. Af en toe is het te merken in het gesprek. Dan wacht ze met antwoorden en schudt ze haar hoofd: „Sorry, wat zei je?”

De cabaretière herstelt van een gebroken rug en een hersenschudding. Half oktober vloog ze op de A12 „vier of vijf keer” over de kop. „Je hebt wel eens een lul op de snelweg rijden die ertussen wil, omdat zijn baan zo zacht gaat? Dat gebeurde. Die man dacht: het kan wel. Ik dacht ook dat het kon. Maar het kon niet. Hij trok niet snel genoeg op. Ik moest uitwijken en kwam in de berm terecht.”

Ze laat een foto zien. Haar rode auto op de kop, het dak ingedeukt. Ramen aan stukken, cd’s en flyers op het gras, een gele regenjas verfomfaaid bij de banden. Het is een wonder dat ze levend uit het wrak is gekomen.

De première voor haar voorstelling WAAR die twee weken na het ongeluk stond gepland, werd verschoven. Het duurde een maand voordat ze weer honderd meter kon lopen. Met een rollator. Nu, zes maanden verder, gaat het relatief goed. Ze kan alles weer, al ligt ze elke voorstelling voordat ze op moet en direct erna een kwartier plat in een donkere ruimte om prikkels buiten te sluiten. En ze heeft af en toe nog veel pijn. Dat merk je als publiek amper. De cabaretière zingt, zucht, fluistert, schreeuwt, gromt, springt en holt in volle overgave – zoals alleen Kiki Schippers dat kan.

Hoe is het emotioneel met je? Je hebt de dood in de ogen gekeken toch? Dat kan levensveranderend zijn.

Mompelend: „Ja tuurlijk, heb ik daar wel. Tuurlijk ik heb daar een soort…” Stilte.

„Nou kijk, ik heb wel bedacht, ik ga niet mijn leven omgooien. Ik had een leuk leven en wilde snel weer dat leven in. Ik had al mooie dingen gemaakt. Met terugwerkende kracht was het goed dat ik er zo’n vaart achter had gezet. Stel dat ik dood was gegaan, dan had ik het allemaal al gedaan. Maar ik dacht, zo van, en dat zit ook in die voorstelling, ik moet misschien wel iets meer openstaan voor anderen. Ofzo.”

Je werd er na het ongeluk ook direct toe gedwongen.

„Ja. Ik had geen partner die thuis alles ging regelen. Ik lag plat op bed. Ik leunde op vrienden en familie. Dus ik moest vragen: kun je me helpen? Dat gaat niet op mijn manier. Verschrikkelijk. Je moet honderd miljoen keer dankjewel zeggen. Ik was blij dat ik kon douchen en slapen.

„Ik was trouwens al met dat thema bezig. Mijn voorstelling voor het ongeluk ging al over de vraag: kun je in verbinding staan met iemand met wie je het niet eens bent? In hoeverre durf je je waarheid los te laten om contact te kunnen maken? Kan je iemands gedachtegoed afwijzen maar diegene zelf niet? Nietzsche zegt: als je gelukkig wilt zijn dan moet je geloven, als je voor de waarheid wilt gaan dan moet je offers brengen, ook sociaal.”

Waarom had jij die vragen?

„Vind je me een sociaal flexibel wendbaar persoon dan? Ik ga conflicten niet uit de weg. Meestal is het zo dat ik direct inventariseer wat de conflicten zijn met iemand. Daar moeten we dan snel over discussiëren, want dan zijn de standpunten helder en dan kunnen we door. In die zin heb ik vaak meningsverschillen. Mensen vinden dat bedreigend.”

Ben je mensen kwijt geraakt?

„Tuurlijk. Niet dat ze dat komen vertellen. Meestal zijn ze het gewoon zat.” Ze lacht. „Dat is soms vervelend of vermoeiend. Ik ben twee jaar geleden gaan samenwonen. Ik twijfelde en zei: ‘Ik ben te veel voor jou.’ Hij zei: ‘Nee joh, dat vind ik niet.’ En na een half jaar bleek ik te veel. Dat doet pijn. Daarom zoek ik mensen om me heen met een sterk karakter. Bij minder sterke mensen komt er een dag dat ik over ze heen wals. Niet leuk, maar dat gebeurt.”

Ik zag jou op een filmpje nadat je bij Cameretten de publieksprijs en de persoonlijkheidsprijs had gewonnen. Ik dacht: het maakt je allemaal lekker geen zak uit.

„Dat is niet waar. Het is een gevecht. Ik ben chaotisch. Ik ben te laat, ik vergeet mijn gitaar als ik naar een optreden moet, vergeet afspraken, of kom wel en dan blijkt dat ik die niet heb bevestigd. Mensen hebben daar last van. Ik heb een overbewustzijn ontwikkeld op: ik ben groot, impulsief, eigenwijs, meeslepend, druk en chaotisch. Ik probeer mezelf kleiner te maken, minder aanwezig, want ik weet dat ik mensen kan afschrikken.”

Waar komt die eigenwijsheid vandaan?

„Mijn ouders zijn ook eigenwijs. Als we iets maatschappelijk bespraken dan zei de ene het ene en de andere het andere. Dat heeft me gevormd. Je wilt loyaal zijn aan allebei, maar dat gaat niet. Ik heb besloten dat er geen waarheid is. Dat je zelf moet blijven nadenken. Ik heb een lied geschreven over vluchtelingen met de titel ‘Er spoelen mensen aan’, maar retweet ook Telegraaf-verslaggever Wierd Duk als hij iets interessants zegt.

„Mijn ouders zijn gescheiden. Mijn moeder heeft eigenwijze mensen om zich heen verzameld, mijn vader heeft zich opgesloten in zijn eigen gelijk. Hij had geen contact meer met ons, zijn kinderen. Wij hadden een conflict over iets kleins en hij heeft toen het contact verbroken. Uiteindelijk is hij plotseling alleen doodgegaan. Toen mijn vader overleed dacht ik wel: ‘Ik wil niet zo eindigen.’ Want het zit ook in mijn bloed om me af te sluiten.”

Hoe was zijn overlijden voor je?

Mompelend: „Ik was verslagen, verdrietig.”

Dit verhaal zit niet in je show.

„Het is niet zo dat ik er niet over wil praten. Maar ik wil niet dat je empathie met mij hebt om dit verhaal. Ik wil niet dat mensen het een mooi verhaal vinden, omdat het echt is gebeurd. Als iemand iets verschrikkelijks in zijn leven meemaakt, is hij niet per se een leuk mens.

„Het wordt een kaart die je speelt. In de try-outs heb ik het een aantal keer benoemd. Dan voel ik dat mensen me bijna kwalijk nemen dat ik er niet over doorpraat. Maar ik wil geen slachtoffer zijn.”

Is die eigenheid op het podium een probleem?

„Nee, dat is juist de enige plek waar ik het volledig kan gebruiken.”

Ik begrijp van je regisseur dat je als maker ook eigenwijs bent.

Ze lacht. „Ik zie overal kansen en ideeën en ga daar voor. Ik had voor deze voorstelling het idee om gitaren over elkaar te loopen. Je krijgt dan verschillende ritmes en een meerstemmig lied. Iedereen zei dat het niet werkte. Dat interesseerde me niet, want ik geloofde erin. Pas bij het honderdste argument dacht ik: ‘Oké, oké, oké’.Lees ook:Dit inspireerde de genomineerden voor de Annie M.G. Schmidtprijs

„Ik heb mezelf voorgenomen om een betere conferencier te worden. Ik wil er vanaf dat mensen mij zien als die cabaretière met goede liedjes. Als je doet wat ik doe – ‘liedje, praatje, liedje’ – dan vergeven de mensen je dat je niet zo goed bent in de conferences.

„De eerste tien try-outs had ik met mezelf afgesproken: ik moet praten en pas als ik bang ben en niet meer weet wat ik moet zeggen, ga ik zingen. De eerste keer was dat na een kwartier. Na een paar keer pas na drie kwartier. Stond ik drie kwartier te ouwehoeren en te vertellen. Maar dat leidde ook tot voorstellingen die ruk waren. Mijn impresariaat werd er zenuwachtig van.”

Je wilt meer openstaan voor mensen, maar je klinkt stronteigenwijs.

„Het blijft een zoektocht. Ik voel me niet altijd thuis in een groep. Als iedereen zegt: zullen we daarheen gaan en ik heb geen zin, dan ga ik in discussie. Soms denk ik: dat moet je niet doen. En dan doe ik dat ook een tijdje niet, want niet in verbinding staan met anderen is zo eenzaam. Maar in de groep kan ik niet zijn wie ik ben. Mijn conclusie: er is geen middenweg. Het is schipperen.”