Liedje ‘Papa, mama’

Papa Mama

Op zaterdagochtend lees jij normaal de krant
Maar nu sta je voor de 10e keer
met wat dozen in de hand
Je dochter is opnieuw gestrand
Op de snelweg van het leven
En ze zegt: ik logeer maar even
Maar ze zit er nu al een maand of zeven
En elke dag hoor je haar gevloek
Mam, waar is mijn spijkerbroek
Help mijn ov-chipkaart is weer zoek

Papa mama
Over twintig jaar
Heb ik mijn zaakjes voor elkaar
Sta ik eindelijk voor jullie klaar
Dan schrob ik jullie oude lijf
Mam klaagt wat zijn mijn knieën stijf
Pap zegt: je bent nu ook al een oud wijf
En we spelen samen rummikub
Pap wint want hij zit op een club
Zijn handen leggen trillend drie maal vier
De kamer buldert van zijn plezier

Wees niet afhankelijk van je eigen man
Het is belangrijk dat je altijd zelf
je eigen broek ophouden kan
Maar ja, niet alles loopt volgens plan
de werkgelegenheid valt niet mee
En nu eten ze met zijn twee
Niet uit zijn maar jouw portemonnee
Heeft ze eindelijk het huis van haar verlangen
Moet je met haar in de Gamma door die gangen
Op zondagochtend in het huis behangen

Papa mama
Over twintig jaar
Heb ik mijn zaakjes voor elkaar
Sta ik eindelijk voor jullie klaar
Dan schrob ik jullie oude lijf
Mam klaagt wat zijn mijn knieën stijf
Pap zegt: je bent nu ook al een oud wijf
En we spelen samen rummikub
Pap wint want hij zit op een club
Zijn handen leggen trillend drie maal vier
De kamer buldert van zijn plezier

Soms denk je: wanneer wordt ze volwassen?
Is ze eindelijk tegen het leven opgewassen?
Kan ik gaan rumikubben of gaat klaverjassen
Maar misschien vraagt ze over een paar jaar
Kun je op mijn kinderen passen?

Papa mama
Over twintig jaar
Heb ik mijn zaakjes voor elkaar
Sta ik eindelijk voor jullie klaar
Dan schrob ik jullie oude lijf
Mam klaagt wat zijn mijn knieën stijf
Pap zegt: je bent nu ook al een oud wijf
En we spelen samen rummikub
Pap wint want hij zit op een club
Zijn handen leggen trillend drie maal vier
De kamer buldert van zijn plezier
Ik kijk omhoog en zie de hemel op een kier
En ik smeek laat ze nog even hier

Gouden bal

De kleine Sammie had een droom

De jongen wilde op ballet

Hij oefende met veel vertoon

Plie, aplomb of pirouette

Zijn toewijding was religieus

Hij zweefde zo vaak van de grond

Zijn tenen strekten hij gracieus

Als rozenhagen in de zon

 

Zijn vader riep: wat ben jij mal

Ik gaf jou toch mijn eigen genen

Dan heb jij echte voetbalbenen

 

Sam won vannacht de gouden bal

Een doelpunt tegen Portugal

Vanuit plie met gespitste tenen

Hondjes aan de bomen

Er groeien hondjes aan de bomen in het Groenendaalse bos

Na wat weken rijpen,breken ze van de takken los

Dan gaan ze blaffend, stierend, piepend en met grote haast

Tussen de grote mooie huizen op zoek naar ’n nieuwe baas

Die geven koekjes en een bedje, aaien zacht over hun snuit 

Ze gooien klossen en wat ballen, boenen neuzen van de ruit

 

Eens in de zoveel tijd loopt er een hondje terug

Dan zoekt hij naar zijn boom en kromt daar een ronde rug

Heel secuur mikt hij zijn kontje, hij moet de wortels raken

Zo kan moeder van de mesthoop weer nieuwe hondjes maken

Symmetrie

Zelfs de moedervlek op Williams pols gaat heen en weer. Zijn hart bonkt in een volslagen ander tempo dan de muziek binnen. Is zijn natuurlijke staat dan altijd rebellie?

Denken, hij moet rustig kunnen nadenken. De neonlampen schijnen fel op zijn gezicht. Achter het café zakt hij tussen de biervaten en de vuilniszakken op de grond.

Williams gedachten blijven bij Davids haakneus hangen, een paar minuten geleden nog enkele millimeters van de zijne. Hij zag Davids mooie lippen, kapot geslagen door Davids vader. Een moment van verzwakking en hij ondergaat hetzelfde lot thuis. Hij speelde al met vuur door met David mee te gaan, zelfs de lege kroegen in de stad hebben oren. De roddels gingen al door het dorp, niet alleen die David van de Johnsons, ook hij van de Clints is er eentje.

Een slak splijt onder zijn voeten. Zelfs hier kan William de glijdende gitaren van Johnny Cash horen die altijd in hetzelfde ritme jengelen. Die tonen die  hem als kind zo deden denken aan het leven thuis, maken hem nu pijnlijk duidelijk dat die tijd, dat kind er niet meer is.

David was nog dichterbij komen staan. William had zijn ogen gesloten en had zich over willen gegeven aan de grillen van zijn lichaam, het ruisen van zijn verlangen, dat zo snel en heftig klopte. Zo had hij het zich al die jaren voorgesteld. Maar in werkelijkheid schrok William, het ging allemaal zo snel, dat hij als reflex zijn hand sloot. Zijn vuist raakte David vol op zijn linker lip. Het lichaam van David viel naar achteren en landde op een tafel waar een groep mijnwerkers kaartten tussen plassen bier. ,,Wat doe jij hier flikker?’’ riep de grootste van het stel. Hij pakte David beet en bond hem op tegen de muur. ,,Heeft je vriendje het uitgemaakt?’’. David kreeg een beuk in zijn ballen. William zag hem daar hangen, zijn gezicht vertrokken van de pijn. Maar hij vocht niet terug, David vocht nooit terug. William trok het gordijn open en liep de kroeg uit. Wanneer kwam hij eens voor zichzelf op?

Een vogel vliegt de nacht in. Half 3. Moeder heeft vast al een beker warme melk klaargezet omdat ze denkt dat hij nu wel thuis zou komen. Ze zou niets vragen maar in haar ogen staat geschreven dat ze meer weet. Die stilte die bij zijn vader stekels heeft, is bij haar juist een teken van genegenheid. Al zijn onuitgesproken bekentenissen, dompelt ze onder in een bad van liefde.

William staat op en buigt zijn hoofd bij het neonlicht. De lamp beschijnt alleen zijn voeten.  Op zijn netvlies brandt het ontredderde gezicht van David. Niet alleen de rechterkant maar ook de linkerkant van zijn lip is nu gehavend. Opnieuw dat geklop in zijn lichaam. Hij houdt van symmetrie.

De nette man

Hij was een keurige man
Gedroeg zich als een heer van stand
Hij had een bolhoed en bretels
En een koffer in de hand
Manchetknopen blonken in het licht
Zijn schoenen waren zwart gesmeerd
Hij sprak louter met twee woorden
‘Ja mevrouw’ en ‘ja meneer’
Hij schoof dames altijd aan
Hij liet ze voor, behalve op een tree
Hij nam zelf nooit het laatste koekje
Zei nooit toilet, altijd wc

Maar bij het avondeten
gedroeg hij zich merkwaardig
De tafeletiquette
was de heer niet vaardig
Hij smekte en hij smakte
een hele symfonie
Met majeuren en mineuren
kauwde hij een eigen lied
Hij hikte onheilspellend
in pianissimo
Boerde vaak en krachtig
in fortissimo
Zijn rochel was het slotstuk
oorverdovend in onze oren
Maar hoe luid hij alles maalde
hij kon het zelf niet horen