Gouden bal

De kleine Sammie had een droom

De jongen wilde op ballet

Hij oefende met veel vertoon

Plie, aplomb of pirouette

Zijn toewijding was religieus

Hij zweefde zo vaak van de grond

Zijn tenen strekte hij gracieus

Als rozenhagen in de zon

 

Zijn vader riep: wat ben jij mal

Ik gaf jou toch mijn eigen genen

Dan heb jij echte voetbalbenen

 

Sam won vannacht de gouden bal

Een doelpunt tegen Portugal

Vanuit plie met gespitste tenen

Hondjes aan de bomen

Er groeien hondjes aan de bomen in het Groenendaalse bos

Na wat weken rijpen,breken ze van de takken los

Dan gaan ze blaffend, stierend, piepend en met grote haast

Tussen de grote mooie huizen op zoek naar ’n nieuwe baas

Die geven koekjes en een bedje, aaien zacht over hun snuit 

Ze gooien klossen en wat ballen, boenen neuzen van de ruit

 

Eens in de zoveel tijd loopt er een hondje terug

Dan zoekt hij naar zijn boom en kromt daar een ronde rug

Heel secuur mikt hij zijn kontje, hij moet de wortels raken

Zo kan moeder van de mesthoop weer nieuwe hondjes maken

Tommeke

Tommeke was een jongeke
Dat moest vaak naar de WC
,,Juffrouw ik moet zo nodig
Mag ik de ketting mee?”

De juf zuchtte: ,,Tommeke toch,
Je bent in ’t speelkwartier geweest
We zijn nu een half uur verder
Ben je toevallig aan de race?”

Tommeke’s wangen werden rood
Hoe kon de juf dat weten?
Hij schudde zijn hoofd, schaamde zich diep
Voor zijn natte scheten

Zijn billen persten hij bij elkaar
Hij wiebelde heen en weer
Zijn buik was vol en opgezet
Maar naar ‘t toilet, ging hij niet meer

De juf vervolgde het dictee
,,Jongens, schrijf ‘brommer’ ‘auto’ en ‘fiets’”
Tommeke stortte zich op de les
Over zijn buikje, zei hij niets

Na het dictee mochten ze tekenen
Met kleurpotloden, krijt en stifjes
Tommeke schetste een dierentuin
In zijn nieuwe tekenschrifje

Hij ging helemaal op in zijn werk
Kleurde een grote beestenboel
Hij bekeek zijn tekening van alle kanten
Plofte daarna weer in zijn stoel

Zijn lichaam herkende het gevoel
In een flits voelde hij het toilet
Hij liet de spanning in zijn billen los
En er viel ‘flats’ iets op het parket

Het spetterde en spatterde
Overal in het rond
Tegen de bureautjes en de stoeltjes
Op de houten grond

Al zijn kleren zaten vol
Zijn t-shirt en zijn schoenen
,,O Tommeke, wat heb je gedaan?
Nu kan ik de vloer gaan boenen”

Tommeke schaamde zich diep
Wat had hij nou gedaan?
Waarom was hij nou niet eerder
Naar het toilet gegaan?

Tommeke had geen andere kleren mee
De juf had wel een shirt
Het was alleen een meisjestrui
En dat was felroze gekleurd

Klasgenoten lachte hem uit
Wat een stomme lui
Maar ja, hij had de klas onder gescheten
En droeg een meisjestrui

Hij heeft er wel veel van geleerd
Hij heeft nog wel eens diarree
Maar dan zegt hij gewoon: ,,Ik moet poepen
En ik ga nu even naar de WC”

Nee hij houdt het nooit meer op
Tom trekt zijn broek huppakee naar beneden
Ik heb hem zelfs langs de kant van de weg
Zichzelf rap uit zien kleden

Hij heeft die dag niet alleen geleerd
Dat je moet gaan, als je gaan moet
Maar ook iets over de kleur roze
Die staat hem eigenlijk heel erg goed

Dus mocht je ooit in de berm iets zien
En je denkt: zit daar nou een jongeke
Als hij een roze trui heeft en zijn broek naar beneden
Dan is dat overduidelijk Tommeke

Symmetrie

Zelfs de moedervlek op Williams pols gaat heen en weer. Zijn hart bonkt in een volslagen ander tempo dan de muziek binnen. Is zijn natuurlijke staat dan altijd rebellie?

Denken, hij moet rustig kunnen nadenken. De neonlampen schijnen fel op zijn gezicht. Achter het café zakt hij tussen de biervaten en de vuilniszakken op de grond.

Williams gedachten blijven bij Davids haakneus hangen, een paar minuten geleden nog enkele millimeters van de zijne. Hij zag Davids mooie lippen, kapot geslagen door Davids vader. Een moment van verzwakking en hij ondergaat hetzelfde lot thuis. Hij speelde al met vuur door met David mee te gaan, zelfs de lege kroegen in de stad hebben oren. De roddels gingen al door het dorp, niet alleen die David van de Johnsons, ook hij van de Clints is er eentje.

Een slak splijt onder zijn voeten. Zelfs hier kan William de glijdende gitaren van Johnny Cash horen die altijd in hetzelfde ritme jengelen. Die tonen die  hem als kind zo deden denken aan het leven thuis, maken hem nu pijnlijk duidelijk dat die tijd, dat kind er niet meer is.

David was nog dichterbij komen staan. William had zijn ogen gesloten en had zich over willen gegeven aan de grillen van zijn lichaam, het ruisen van zijn verlangen, dat zo snel en heftig klopte. Zo had hij het zich al die jaren voorgesteld. Maar in werkelijkheid schrok William, het ging allemaal zo snel, dat hij als reflex zijn hand sloot. Zijn vuist raakte David vol op zijn linker lip. Het lichaam van David viel naar achteren en landde op een tafel waar een groep mijnwerkers kaartten tussen plassen bier. ,,Wat doe jij hier flikker?’’ riep de grootste van het stel. Hij pakte David beet en bond hem op tegen de muur. ,,Heeft je vriendje het uitgemaakt?’’. David kreeg een beuk in zijn ballen. William zag hem daar hangen, zijn gezicht vertrokken van de pijn. Maar hij vocht niet terug, David vocht nooit terug. William trok het gordijn open en liep de kroeg uit. Wanneer kwam hij eens voor zichzelf op?

Een vogel vliegt de nacht in. Half 3. Moeder heeft vast al een beker warme melk klaargezet omdat ze denkt dat hij nu wel thuis zou komen. Ze zou niets vragen maar in haar ogen staat geschreven dat ze meer weet. Die stilte die bij zijn vader stekels heeft, is bij haar juist een teken van genegenheid. Al zijn onuitgesproken bekentenissen, dompelt ze onder in een bad van liefde.

William staat op en buigt zijn hoofd bij het neonlicht. De lamp beschijnt alleen zijn voeten.  Op zijn netvlies brandt het ontredderde gezicht van David. Niet alleen de rechterkant maar ook de linkerkant van zijn lip is nu gehavend. Opnieuw dat geklop in zijn lichaam. Hij houdt van symmetrie.

De nette man

Hij was een keurige man
Gedroeg zich als een heer van stand
Hij had een bolhoed en bretels
En een koffer in de hand
Zijn manchetknopen blonken in het licht
Zijn schoenen waren zwart gesmeerd
Hij sprak louter met twee woorden
‘Ja mevrouw’ en ‘ja meneer’
Hij schoof dames altijd aan
Hij liet ze voor, behalve op een tree
Hij nam zelf nooit het laatste koekje
Hij zei nooit toilet, altijd wc

Maar bij het avondeten
gedroeg hij zich merkwaardig
De tafeletiquette
was de heer niet vaardig
Hij smekte en hij smakte
een hele symfonie
Met majeuren en mineuren
kauwde hij een eigen lied
Hij hikte onheilspellend
in pianissimo
Boerde vaak en krachtig
in fortissimo
Zijn rochel was het slotstuk
oorverdovend in andermans oren
Maar hoe luid hij ook vermaalde
hij kon het zelf niet horen