Ik wil grappig(er) worden, daar is een cursus voor

Wie aan stand-upcomedy wil doen kan op les gaan. „Grappen schrijven kan je trainen.”

Het is april 2018 en ik sta op een podium. Een groep van tien onbekenden bekijkt me van top tot teen. „Je bent denk ik vegetariër”, „Jij eet van die vieze maar gezonde ontbijtjes met bessen enzo”, „Je houdt van cultuur”, „Je hebt een vriend maar je bent niet getrouwd”, „Je bent een renchick”, „Je woont in Hilversum ofzo.”

Ik ben totaal verbaasd, de eerste indruk die zij van mij hebben klopt bijna helemaal. ’s Ochtends maak ik inderdaad met amandelmelk en boekweitvlokken een ontbijt dat zo stevig is dat je er ook een muurtje mee zou kunnen metselen. Ik heb fanatiek aan atletiek gedaan. Dieren eet ik niet meer sinds mijn vijftiende. Trouwen ga ik niet, al woon ik al jaren samen. Ik schrijf voor de cultuurredactie van NRC. Enige fout: ik woon niet in Hilversum, wel in Heemstede. Net zo wit, net zo rijk, net zoveel mensen lid van de hockeyclub.

Het is de eerste oefening van de comedycursus van Roel C. Verburg, gitaarkomiek en stand-upcomedian bij het Amsterdamse Comedy Cafe, waar ik aan meedoe. Ik wil grappig worden, maar ja, hoe doe je dat? De cursus zit al jarenlang elk kwartaal helemaal vol. De deelnemers, onder wie verplegers, engineers en socialemediaconsultants, willen niet allemaal net als ik op het podium staan, maar wel graag leren hoe ze grappig kunnen worden. Ook veel nieuwe bekende namen in de comedyscene begonnen bij Verburg, zoals Kasper van der Laan, winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2018, en Tex de Wit, schrijver bij Zondag met Lubach. Verburg: „Ik pretendeer niet dat je meteen comedian wordt met uitverkochte zalen”, zegt Verburg, „ik kan mensen niet grappig maken, alleen wel grappiger.”

De eerste oefening over de eerste indruk is belangrijk, legt hij uit. „Als iemand die heel dik is zegt ‘ik moet op dieet’, dan kunnen mensen lachen uit herkenning. Als iemand heel dun is en dat zegt , weet je dat de grap ironisch is bedoeld. Maar ik had een comedy-collega die niet heel dik was en die zei dat hij op dieet moest. Je hoorde het publiek denken: is dat zo? Huh? En dan werkt je grap dus niet.”

Toch wordt het belang van die eerste oefening veel comedians pas na veel optredens duidelijk. Mij ook. Wel meteen toepasbaar is de definitie van een grap: een doorgaans logisch maar onverwacht vervolg. Of de tip dat het belangrijkste woord in een grap altijd aan het einde van de zin moet.

Mindmappen en associëren

Verburg raadt aan om te gaan mindmappen, associaties zijn enorm belangrijk voor grappen. „Vooral voor een onderwerp dat je boeit of dat jou typeert.” Ik denk na over mijn hobby’s en weet meteen welk woord ik op mijn kladblok moet schrijven: klimaatverandering. Ik maak lijntjes met Shell, olie, CO2, smeltende ijskappen, ijsberen, gas, Groningers, Freek de Jonge. Hilarische onderwerpen voor comedy natuurlijk.

Even daarvoor heeft Verburg een aantal woorden opgeschreven: zelfspot, vergelijking, tegenstelling, projectie, typetje, herkenning, afzeiken, de waarheid, vergroting, 1-2-3’tje, understatement: grapvormen waar je je associaties in kunt gieten. Verburg: „Als ik nu een grap wil maken, pak ik deze lijst er natuurlijk niet meer bij. Heel af en toe denk ik nog: deze grap werkt niet, moet ik de vorm veranderen? Laatst had ik een 1-2-3’tje bedacht. Ik had: sommige mensen geven fooi in een café, anderen in een restaurant en ik geef fooi in een bank. Dat werkte niet. De vergelijking die ik daarna maakte werkte ook niet. En toen dacht ik, ik moet gewoon zeggen wat het is: ik geef graag fooi aan mensen die nooit fooi krijgen, ik geef bijvoorbeeld fooi in een bank. Dat werkte wel, de gedachte zelf is al een onlogisch vervolg.”

Jasper van der Veen won dit jaar het Leids Cabaret Festival. Hij volgde niet de hele cursus bij Verburg maar wel een paar lessen: „Die brachten techniek in het warrige verhaal dat ik als beginnend comedian aan het vertellen was.” Ook Gerthein Boersma, redacteur bij Dit Was Het Nieuws en oud-schrijver bij Zondag met Lubach, kreeg les van Verburg: „Het was superfijn, maar daarna begon het echte werk.” Een van de uitdagingen voor comedians is puzzelen met de kloof, het verschil tussen de opbouw van een grap en de inkopper. Boersma: „Die kloof moet niet te klein zijn, anders is de clou niet onverwacht. Maar ook niet te groot, want dan moet het publiek zelf te grote stappen maken. En soms is het ook leuk als niet iedereen je grap begrijpt. Ik had ooit deze: ‘Roel van Velzen heeft gezegd dat het leven net is als een rollercoaster. Maar hoe weet hij dat nou?’ Vaak lachte maar de helft. Als ik in een gulle bui was legde ik uiteindelijk uit dat Van Velzen niet in achtbanen mag. Dan lachte de andere helft.”

De weken na de theorieles gaan we met z’n allen spuien, verfijnen, schrappen en voor elkaar optreden . Ik schrijf dingen op die ik opvallend vind: Groningers die koken op gas, of dat ik om milieuredenen liever niet in een vliegtuig zit en daarom mijn schoonouders uit Portugal maar hiernaartoe laat komen. Na tien weken mag ik tien minuten optreden. Het publiek lacht hard. Op dat moment weet ik één ding zeker: ik ben echt absurd grappig.

Ik mag vaker spelen. Bijvoorbeeld begin december 2018 in een dorpscafé in Wijdenes, een dorpje vlakbij Hoorn met 1.300 inwoners. Ik begin weer voortvarend met mijn klimaatgrappen. Aan de bar zit een man met klompen aan. Hij draait zich na de eerste opmerking hoofdschuddend om. De zaal is voor de rest doodstil. Ik denk alleen maar: wat doe ik hier? Hoezo dacht ik dat ik grappig zou kunnen zijn? Waarom zit ik niet in mijn onesie thuis op de bank de herhaling van Heel Holland Bakt te kijken?

Grappig zijn is meer dan grappen schieten

Ik leerde die avond in december op een vrij pijnlijke manier: grappig zijn is meer dan grappen schieten. „Grappen schrijven is een bepaalde manier van denken en dat kan je goed trainen”, vertelt de Nederlandse hoogleraar cultuursociologie Giselinde Kuipers die sinds kort werkt aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ze deed jarenlang onderzoek naar humor. „Maar grappig zijn is eigenlijk een recept waarbij je verschillende ingrediënten moet doseren. Heel belangrijk is dat een comedian de zaal goed aanvoelt. Maak verbinding en reageer op de signalen van het publiek. Je zegt eigenlijk: ik ga met jou mijn wereldbeeld delen en ik hoop dat je meegaat. Maar je moet continu checken of ze wel mee zijn.” Een grap heeft ook altijd iets grensoverschrijdends. „Het is wel zoeken naar een balans. Als je meteen losgaat, kan het publiek denken: wat is dit voor hufter? En over sommige groepen mag je hardere grappen maken dan over andere.” Waarom? Door ingrediënt nummer drie: „Humor haalt dingen omlaag. Als je grappen maakt over mensen die een zwakkere positie hebben in de maatschappij kan het publiek denken: dit vind ik niet meer grappig. Maar mensen vinden het juist wel grappig als je machthebbers uitdaagt.” Kuipers: „Ten slotte moet je iets met je uiterlijk of met je stem doen waardoor mensen begrijpen dat je niet serieus bent. Maar dat verschilt ook per opleidingsniveau van het publiek.”

Ik denk terug aan mijn avond in Wijdenes en er vallen kwartjes. Ik vermoed dat het dorp met meer koeien dan inwoners mij bij mijn eerste zin al kwijt was: „Hallo ik ben Anouk, ik ben een idealist en ik eet geen vlees.” Ik ben na die realisatie in de war, betekent dit dat ik mijn materiaal dan moet aanpassen aan het publiek?

„Nee”, zegt Van der Veen. „Comedy wordt juist interessanter als je je eigen verhaal vertelt. Ik heb een beetje idealeschoonzoonuitstraling en mijn optredens gingen daarom nooit fout, mensen moesten altijd wel lachen. Maar bij mij ging nooit het dak eraf. Ik heb nu geleerd om nog persoonlijker te worden en daarmee ook grensoverschrijdender. Dat betekent dat mensen mij soms echt niet trekken. En ja, ik moet daarom harder werken om hen voor me te winnen. Maar als dat nu lukt, lachen ze zoveel harder.” Hij schrijft zijn materiaal ook anders. „Vroeger ging ik in een café zitten, keek ik om me heen, zag een lamp hangen en dacht ik: wat zou het publiek daar grappig aan vinden? Nu denk ik: wat wil ik zeggen?”

Je eigen verhaal mengen met het beeld dat andere mensen van je krijgen, is dat wat een goede comedian doet? Ik denk na over mijn eigen persoonlijkheid. Ik ben een veel te fanatieke, dunne veganist die vrij streng is voor zichzelf en voor de mensen om zich heen. Dat moralisme vinden sommige mensen in het publiek natuurlijk superfrustrerend. Ik besluit de frustratie die ik opwek te gebruiken in mijn optreden. Het publiek lacht direct om mijn nieuwe introductie. Even denk ik weer dat ik het heb begrepen.

Maar dat kan ik wel vergeten, lacht Van der Veen. „Uiteindelijk heb ik ook weer veel losgelaten van wat mensen adviseerden: iedereen is namelijk op zijn eigen manier grappig. Als comedian moet je om beter te worden de hele tijd dingen uitproberen waar het publiek niet altijd meteen goed op reageert. En als je een aantal goede avonden hebt gehad en denkt dat je eindelijk begrijpt hoe comedy werkt, gaat het de volgende keer weer helemaal mis.”

Hoe ik leerde omgaan met somberheid over het klimaat

Bij een psycholoog leerde Anouk Kragtwijk omgaan met haar somberheid over het klimaat. Die gaf haar handvatten voor haar emoties. Haar huiswerk zou voor iedereen goed zijn.

Het had niet eens direct met de gevolgen van klimaatverandering te maken. De bomen iets verderop in onze straat moesten worden gekapt, want ze zaten in de riolering. Ik had de gemeente twee keer gebeld met de vraag of er geen andere oplossing was, het waren immers gezonde iepen. Maar nee, de pijpleidingen waren al tig keer vervangen, die bomen moesten om.

Begin augustus schreef ik een stuk voor NRC over Glennis Grace toen ik hoorde hoe verderop in de straat een kettingzaag werd aangezet. Een stam viel kermend op de grond. Ik deed snel mijn oordoppen in. Toch hoorde ik luid en duidelijk hoe boom twee ook werd omgezaagd. Ik besloot Glennis Grace door de boxen te laten knallen en keihard mee te zingen met een cover van Whitney Houston. Ergens in de verte hoorde ik iep drie, vier en vijf omvallen terwijl ik keihard ‘I will always love you’ blèrde. De ironie ontging me niet.

De volgende dag fietste ik via de andere kant de straat uit. Ik wilde de stompjes niet zien. Maar wat ik verder tegenkwam, maakte me ook niet vrolijk. Het was bloedheet buiten. Ik reed langs verdorde grasvelden en zag hoe jonge bomen hun bladeren aan het verliezen waren. Op mijn telefoon las ik berichten over vogels en egels die dorst hadden en over bosbranden in Europa. Het maakte me al een hele zomer neerslachtig.

Ik was niet de enige. Nederlanders maken zich steeds meer zorgen over het klimaat, blijkt uit het rapport Burgerperspectieven van het Sociaal Cultureel Planbureau. Het noemen van klimaatverandering op de vraag ‘Wat zijn de grootste problemen van Nederland?’ is gestegen. Begin 2017 noemde 7 procent het onderwerp als probleem, begin 2019 werd het door 21 procent genoemdIn een onderzoek van Motivaction eind 2018, in opdracht van stichting Natuur en Milieu, zei 51 procent van de ondervraagden zich in enige mate zorgen te maken over het klimaat.

Klimaatverandering klopt op onze deur. Maar waarom gingen de bomen in mijn straat dan zo rücksichtslos om, zonder werkelijk op zoek te gaan naar een alternatief? Als bomen niet bestonden en we hadden ze uitgevonden, dan hadden we waarschijnlijk gedacht: eureka, eindelijk een technologische oplossing om CO2 uit de atmosfeer te halen. Maar ja, aan iets natuurlijks als gezonde bomen kan je niet zoveel geld verdienen.

Door het kappen van de bomen in mijn straat realiseerde ik me twee dingen: blijkbaar was de natuur uiteindelijk altijd ondergeschikt aan onze verlangens, een houding van de mensheid die deze hele klimaatellende had veroorzaakt. En: als maatschappij zagen we nog steeds niet in hoe groot onze milieuproblemen zijn. Ik snapte dat niet. Die problemen waren al jarenlang bekend. Als achtjarige hoorde ik al via Schooltv-weekjournaal over tropische bossen die werden platgebrand en hoe desastreus dat was voor de biodiversiteit en de opwarming van de aarde. Ik vond de beelden van die afgefikte bossen zo verschrikkelijk dat ik elke avond maar een kussentje van mijn bed pakte en ging bidden tot God. ‘Wilt u alsjeblieft de grote mensen duidelijk maken dat ze beter voor de natuur en voor de dieren moeten zorgen?’ Tsja, je moet als kind wat met je machteloosheid en ik was toen nog niet op het idee gekomen om net als Greta per zeilschip naar New York te varen en daar de regeringsleiders bij de VN fel toe te spreken.

Dat was behoorlijk lang geleden. Toen ik nog hoop had dat we de problemen in de jaren die kwamen wel op gingen lossen. Maar in de zomer van 2018 waren de politieke besluiten nog steeds slap, moest ik nog steeds barbecueën met familiedag en begreep mijn omgeving nog steeds niet waarom ik zo van slag raakte van het warme weer. Ik vertelde een van mijn beste vriendinnen over mijn gemoed en zij gaf me het advies: je moet ook een beetje meer genieten van het leven, je niet zoveel zorgen maken. Kijk naar buiten, de zon schijnt. En ik dacht: ja, dat is dus precies het probleem! De zon schijnt al twee maanden fulltime!

Vroeger loste ik de confrontatie met dierenleed en milieuproblemen op via de mantra van het Postbus 51-spotje: een beter milieu begint bij jezelf. Toen de koe bij ons achter in de wei verkocht werd aan de slager, stopte ik met dieren eten. Toen ik in een hartverscheurend filmpje zag hoe een orang-oetan vocht met een bulldozer die zijn hele leefomgeving in de bossen van Indonesië platwalste, stopte ik met het eten van palmolie in pindakaas, koekjes en chips. Toen ik las dat spullen kopen nog vervuilender is dan vlees eten en vliegen, nam ik alleen maar gerecyclede dingen in huis. Ik doe bijna alles met het ov, eet biologisch, koop alleen nog maar duurzame kleding en ben inmiddels veganist. Bij elk milieuprobleem denk ik dus: hoe kan ik mijn eigen gedrag aanpassen?

Maar die bomen waren voor mij een breekpunt. Hoeveel nut heeft het dat ik al het milieuleed probeer aan te pakken, als er voor de rest zo weinig gebeurt? Mijn optimisme verdween. Bij het bestellen van onze zonnepanelen ontglipte me de gedachte: waarom doe ik dit nog? ’s Nachts droomde ik zelfs van overstromingen. Tegen mijn vriend, die na een dag werken voor ons een henneptofuburger stond klaar te maken, maar die net even iets te laconiek reageerde op een apocalyptisch stuk over klimaatverandering, schreeuwde ik: ‘vind je het dan helemaal geen probléém dat we allemaal uit dreigen te sterven?’

Het was een probleem, mijn probleem. Klimaatangst beheerste mijn leven. Het maakte me diep ongelukkig en het maakte me onaardig. Ik moest er met iemand over praten. Iemand die me niet als advies zou geven om in de zon te gaan zitten. Het werd een psycholoog.

Ik voelde me ongemakkelijk bij het eerste gesprek: ‘Ja hallo, ik ben hier want de bomen in de straat zijn gekapt.’ Was dat niet een beetje gek? Maar ze nam mijn probleem serieus. Ik vertelde haar hoe het welzijn van bomen en dieren altijd al verbonden is geweest met mijn eigen welzijn. Hun leed komt keihard bij mij binnen. Ik vertelde haar over hoe schuldig ik me voelde. Had ik wel genoeg gedaan om de iepen in mijn straat te behouden? Ik was geen handtekeningen gaan inzamelen en ik had me niet vastgebonden aan een boom en de sleutel ingeslikt. Ik wilde geen ruzie met de buren of in de buurt bekendstaan staan als bomengekkie.

Deed ik überhaupt wel genoeg? Mijn ecologische voetafdruk was nog steeds groter dan een aardbol. Mijn schoonouders wonen in Portugal en daar vloog ik naartoe. Ik douchte ook te lang en dat haatte ik aan mezelf. Ik had op mijn tegels zelfs een geplastificeerde, uitgemergelde ijsbeer opgehangen omdat ik mezelf emotioneel wilde chanteren. Maar al keek ik tijdens het douchen naar een uitgemergelde Knut, na zeven minuten keerde ik me om en bleef ik nog vijf (of tien) minuten onder die lekker warme straal staan.

Enkel dat uitspreken hielp al. Eindelijk kon ik met iemand praten bij wie ik niet op mijn woorden hoefde te passen. Ik was in andere gesprekken altijd bezig met vertalen. Gingen mensen zuchten? Nerveus bewegen? Zag ik onrust in hun gezicht? Dierenleed en klimaatverandering waren immers geen gezellige onderwerpen. Daarom gooide ik grappen in gesprekken, maakte ik mijn bevlogenheid belachelijk en ventileerde ik maar een glimp van mijn verdriet en mijn angsten. Maar doordat ik vertaalde kwam ik nooit echt tot de diepere laag van mijn emoties.

Al mijn chaotische gedachten kwamen nu als een rummikubrijtje op tafel te liggen en ik begon een patroon te zien: ik bestreed mijn machteloosheid met actie. Door streng te zijn voor mezelf, had ik controle over dat absurd grote probleem dat me van jongs af aan al uit mijn slaap hield. Die strategie werkte lang wel, maar niet meer. Het klimaatprobleem was in mijn hoofd te groot geworden om nog grip op te krijgen. Daarom was ik opeens zo angstig geworden. Of ik naar die angst toe wilde gaan en die onder woorden wilde brengen, vroeg de psycholoog. Dat deed ik. Voor het eerst sprak ik mijn grootste vrees uit: ik denk dat de wereld op heel veel plekken onleefbaar wordt. Ik huilde heel hard toen ik dat mezelf hoorde zeggen.

„Wat zou je ervan vinden om dat werkelijk te voelen? Dat het inderdaad misschien fout zou kunnen gaan?” Poeh, heel verdrietig. Maar gek genoeg waren al die moedeloze realisaties ook een opluchting. De cijfers en laffe aanpak hadden zich diep in de krochten van mijn hoofd verder ontwikkeld tot doembeelden die ik wegdrukte. Ik probeerde jarenlang een bal omlaag te duwen in het zwembad.

Het yin-yangteken ging voor mij symbool staan voor mijn innerlijke proces: al die tijd wilde ik alleen de witte kant zien, de hoop, de oplossingen, maar door die therapeutische sessies begreep ik dat ik de donkere kant ook moest gaan accepteren. Ik leerde voor het eerst met compassie te kijken naar het egoïsme en de onverschilligheid van de mensheid. En ook van mijzelf. Om Descartes te misbruiken: ik besta dus ik vervuil. Ik woon in de westerse wereld en dan is volledig duurzaam leven moeilijk. Ik heb een woning nodig, kleren, een telefoon, een computer. En ik ben mens, en dus soms hypocriet.

Klimaatangst veranderde door al die realisaties in klimaatrouw, angst werd verdriet. Het voelde zelfs als liefdesverdriet. Maar ook die realisatie gaf me handvatten – ik wist namelijk hoe ik daarmee om moest gaan. Verdriet moet je voelen, niet wegstoppen, je moet door je hartenpijn heen. Of zoals ze in het boeddhisme zeggen: elke emotie is eigenlijk maar een lichamelijke ervaring. Als ik nu schrik van nieuwsberichten over verbrande koala’s probeer ik naar mijn lijf te gaan en te voelen wat die beelden doen. Wordt mijn maag warmer? Span ik mijn kaken aan?

Al dat huiswerk is denk ik niet alleen belangrijk voor mij, iemand die volgens sommigen nogal is doorgeslagen, maar voor de hele maatschappij. Ik denk dat de massale onverschilligheid en het niet werkelijk handelen voortkomt uit de onwil klimaatangst te voelen. Die vrees dat we in ons bestaan worden bedreigd, is een nogal grote emotionele hap modder die we moeten verwerken. We zijn met zijn allen denk ik nog nooit geconfronteerd met een probleem dat zo groot en zo existentieel is, laat staan dat we hebben geleerd hoe we daar mee om moeten gaan. Tegelijkertijd voelen we ons denk ik ook nog schuldig en verdrietig en dat maakt klimaatverandering een heel giftige cocktail voor ons gemoed. Dan is het fijner om je gedachten te verzetten en te doen alsof het probleem niet werkelijk bestaat.

Misschien is het überhaupt nieuw en gek om te erkennen dat de berichten over klimaatverandering zoveel met ons doen? We praten er niet met elkaar over en de psychologische zorg in Nederland is niet op deze gevoelens ingesteld. Het Nederlands Instituut van Psychologen kent geen hulpverlener die zich hiermee bezighoudt, en heeft het ook geen behandelplannen voor klimaatangst. In Amerika zijn ze al verder. De American Psychological Association, de grootste Amerikaanse wetenschappelijke organisatie voor psychologen, erkent ‘climate anxiety’.

Volgens Jaap van der Stel, lector GGZ op de Hogeschool Leiden, onderschatten we het psychische probleem in Nederland nog. Hij publiceerde in november het boek Veerkracht bij klimaatverandering. „In paniek raken over klimaatverandering is een volstrekt normale reactie. Natuurlijk kan je somber worden als je leest dat duizenden dieren sterven in bosbranden.” Hij waakt wel voor het gebruiken van het woord klimaatdepressie. „Depressie is een psychische stoornis. Somberheid of paniekgevoelens door klimaatverandering zijn een logische reactie op een abnormale situatie. Eigenlijk dezelfde reactie bij bijvoorbeeld de dood van een geliefde, een burn-out of het niet krijgen van een baan die je zo graag wilde. Daar is wel al veel over geschreven dus die behandelmethodes kunnen we kopiëren.” Een van de belangrijkste dingen die hij aanraadt is zelfregulatie. „Met een afstand kunnen kijken naar jezelf en je gevoel erkennen. Dat kan op veel manieren. Via mindfulness, yoga, praten met mensen, naar de psycholoog.”

Bij mij gaat het erkennen van mijn gevoel met horten en stoten. Deze zomer waren mijn vriend en ik eens niet in Portugal, maar in Italië, waar we om klimaatredenen met de auto naartoe waren gereden. Op de dag van de terugreis stond ik vroeg op en keek ik uit over het glooiende landschap vol olijfbomen en paarden, toen ik even mijn mobiel pakte en het nieuws checkte. Het eerste bericht was: de poolcirkel staat in brand. Mijn maag voelde direct als het touwtje van een aangetrokken boterhamzakje.

Ik kreeg dat gevoel maar niet uit mijn lijf tijdens de autorit, het was te groot, te beangstigend. Elk keer herkauwde mijn brein die foto’s van brandende bossen. Hoeveel dieren waren er gruwelijk gedood? Hoeveel extra CO2 zat er nu in de lucht? Ik duwde de paniek weg en ging geestdodende dingen doen zoals romantische komedies kijken. Pas toen ik uren later werkelijk stilstond bij de angst in mijn lijf, snotterde ik tranen. Daarna kon ik weer doorademen.

Al besloot ik op dat moment ook dat ik voor mijn volgende reis, die naar mijn schoonouders in Portugal met de kerst, de trein ga pakken. Want acceptatie is dan wel emotioneel belangrijk, de wereld staat in de fik en heeft nog steeds heel veel actie nodig.

Stop William Boeva maar in een hokje, hij breekt er wel uit

De Vlaamse comedian William Boeva toert de komende maanden door Nederland. „Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”

William Boeva (28) heeft sokken aan bij het interview. Dat klinkt logisch, maar Boeva’s armen zijn kort en reiken niet verder dan zijn onderbenen. „Ik neem elke ochtend mijn sokken mee in mijn jas, hopend dat ik snel iemand tref die ik ken.” Vanochtend is hij op straat een bekende tegengekomen die zijn koude voeten in een wit paar heeft gestoken. Boeva noemt zichzelf ‘dwerg’, het Nederlandse woord lilliputter vindt hij maar niets. Officieel heet zijn handicap pseudo-achondroplasie. Zijn romp en hoofd zijn van normale grootte, zijn ledematen niet.

Komende maanden toert Boeva met Reset door Nederland. Het interview over zijn show en zijn leven vindt plaats in café Het Bezemsteeltje, op steenworp afstand van Boeva’s huis in hartje Antwerpen. Aan de bar hangen op vrijdagochtend drie oude mannen op bruine leren barkrukken. Vlaamse levensliederen schallen net te hard door de boksen. „Ik heb wel gekeken of we rondom het station kunnen afspreken maar ik geraak daar gewoon niet. Het stationsgebied is verboden voor auto’s en ik kan maar 300 meter wandelen.”

Op papier klinkt Boeva wat zeurderig, in het echt is hij vooral erg vriendelijk en openhartig. In een van de scènes van zijn show vertelt Boeva dat hij zijn ‘gat’ niet af kan vegen. „Ik weet precies op welke toiletten in België ik mijn behoefte kan doen. Ik plan mijn toiletbezoek. Soms eet ik niet van tevoren omdat ik weet dat ik anders problemen krijg.” Vorig jaar ging het mis. Hij reed na een optreden naar huis, voelde gerommel in zijn buik, waarschijnlijk de hete bonenschotel van de avond daarvoor en moest stoppen bij een benzinestation. De gênante scène die volgt, beschrijft Boeva kostelijk.

Je regisseur vertelde dat hij je moest overtuigen om de scène in je show te stoppen.

„Ik heb over het incident een half jaar gezwegen. Ik schaamde me er zo voor. Vorig jaar ben ik mijn tweede voorstelling gaan schrijven. Mijn regisseur zei: dat moet erin. Het verhaal schuurt, is grappig en geeft zo duidelijk weer waar je tegenaan kan lopen met deze handicap. Maar het is niet meteen leuk om zoiets pijnlijks en persoonlijks met een groot publiek te delen.

„Mijn regisseur heeft mij überhaupt moeten overtuigen dat ik mijn handicap moet gebruiken. Ik ben begonnen met comedy toen ik achttien was. Ik praatte een beetje over Star Wars en politiek en zei niets over mijn lengte. Kijk, ik had een warme jeugd. Mijn ouders hebben me altijd goed beschermd. Ik had niet veel vrienden maar de vrienden die ik had, zorgden voor mij. Als we op reis wilden, stelden ze nooit voor: zullen we gaan skiën? Op die manier voelde het niet alsof ik een beperking had. Maar toen ik bij regisseur Han Coucke workshops ging volgen, zei hij: je kan er niet omheen. Mensen zien wat aan je. Het is ook een mogelijkheid. Gebruik het in je voordeel.”

Je praat nu meer over je handicap dan vroeger?

„Ja.”

Ben je gelukkiger nu je dat doet?

„Ja en nee. Ik word er niet gelukkiger van dat ik met mijn neus op de feiten word gedrukt, maar ik kan misschien ook de weg vrij maken voor anderen. Omdat ik wat bekender ben, luisteren mensen nu een beetje naar mij. Ik heb lang niet in een hokje willen passen, heb me verzet tegen het idee ‘ik ben dwerg’. Nu denk ik: stop me maar in een hokje, dan breek ik er wel uit. Ik ben meer dan mijn handicap.”

Dat klinkt meer als een plicht, niet als iets waar je gelukkig van wordt.

„Ik vind het nu niet erg meer. Zo openhartig zijn, leert mij om mijn handicap meer en meer te aanvaarden. Kijk, ik lig er ’s nachts wakker van. Waarom ik, vraag ik mezelf dan af. Het is onveranderbaar. Ik kan het niet oplossen. Dit is mijn leven. Ik moet hiermee omgaan.

„Mensen kijken ook continu op een bepaalde manier naar mij. Als ik het podium op loop en het publiek kent mij niet, dan is er bijna een soort angst. Zo van: weet hij dat hij een dwerg is? Nu gebruik ik dat. Als ik op kom, laat ik expres de microfoonstandaard te hoog staan. Dan zie je mensen denken: o nee, hij kan er niet bij, wat moeten we nou doen? Moet iemand het podium op? Ik draai vervolgens het statief naar beneden en doe alsof ik boos ben. Meestal zeg ik: de eerste die plop zegt, sla ik op zijn bek.”

Heb je veel fysieke problemen?

„Vroeger heb ik veel operaties gehad om mijn benen en armen te verlengen. Mijn botten zijn op twee plaatsen gebroken en daartussen zijn pinnen gestoken. Aan de buitenkant konden artsen aan het skelet draaien waardoor mijn armen en benen werden opgerekt. Mijn armen zijn elf centimeter langer geworden, mijn bovenbenen negen centimeter en mijn onderbenen twaalf centimeter.

„Je wordt uit elkaar getrokken. Het waren Middeleeuwse praktijken. Ik kreeg wel pijnstillers hoor, maar als je vijf bent en wakker wordt met een ijzeren skelet aan je benen, dan begrijp je dat niet. Het eerste wat ik deed, was eraan trekken. Dat moet eraf dacht ik, want het deed pijn en jeukte. Op den duur went het en kun je ervan slapen. Ik heb er zes jaar mee rondgelopen. Nu ben ik erg blij met die behandelingen. Het is het verschil tussen alles moeten aanpassen in huis, en net niets.”

Ik heb moeten lachen om je show. Tegelijkertijd had ik ook vaak medelijden. Je schetst een beeld van iemand die zich moet invechten in de maatschappij. Wat vind je ervan als mensen medelijden met je hebben?

„Het klinkt misschien raar, maar dat vind ik zeker niet erg. Comedy is een ‘area of emotions’, niet alleen maar hard lachen. Het publiek stil krijgen, is misschien nog wel mooier. Daarnaast, zo’n handicap is constant gedoe en dat wil ik graag laten zien. Ik woon nu twee maanden op mezelf en heb een invalidekaart aangevraagd. Maar dit is België, dus dat duurt zes maanden. Ik kan nu amper parkeren in de buurt. Als ik terugkom van mijn show moet ik op zoek naar een parkeerplek. Vaak staat alles vol. Dan rij ik wel twee uur rond.”

Midden in de nacht?

„Ja. Ik zet mijn auto wel eens op de laad-en losplek maar ik heb al zoveel bekeuringen gekregen. Die moet ik dan weer aanvechten.”

Maakt dat je boos?

„Steeds bozer. Omdat dit soort dingen de integratie van mensen met een handicap belemmert in de maatschappij. Terwijl het opgelost kan worden.”

Vroeger stonden dwergen, reuzen, dikke dames en zwarte mensen op het podium om mensen te vermaken, omdat hun anders-zijn als ‘rariteit’ werd beschouwd. Is er wat veranderd?

„Voor ons niet. Wij zijn nog steeds een rariteit. Ik denk dat we niet verder zijn dan de Middeleeuwen qua integratie, zelfs achteruit zijn gegaan, omdat we toen wel in het straatbeeld voorkwamen. Loop eens op straat en tel hoeveel mensen er een handicap hebben. Zoek dan eens op hoeveel mensen er volgens de cijfers een handicap hebben. Waar zijn ze dan? Verscholen in huizen. Ze doen niet mee in de maatschappij.”

In je show hou je met een groot telraam bij hoeveel dwergenmoppen je maakt. Waarom?

„In België kreeg ik kritiek omdat ik te veel dwergenmoppen zou maken. Voor de gein heb ik daarom een groot telraam op het podium gezet. Het is ook provocerend bedoeld, dit is mijn leven. De meeste cabaretiers maken comedy over hun eigen leven, ik dus ook. Maar de kritiek remt mij wel af. Ik zit in België wel eens in televisieprogramma’s en dan denk ik: dit zou een mooie grap zijn. Toch vertel ik hem niet. Ik stel me voor hoe mensen reageren: ze gaan eerst lachen en daarna zeggen, ja dat is wel gemakkelijk. Ik zou me er niets van aan kunnen trekken maar ik wil bewijzen dat ik ook zonder die grappen goed ben. Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”

Interview Rundfunk: Rundfunk neemt alleen grappen serieus

Yannick van de Velde en Tom van Kalmthout werden immens populair met hun absurdistische serie ‘Rundfunk’ die werd uitgezonden op de NPO. Ze staan nu in het theater met ‘Wachstumsschmerzen’.

Kwajongens of pubers. Volgens vrienden en collega’s lijken de mannen van Rundfunk in het echt op de typetjes die ze in de serie spelen. Rundfunk is sinds twee jaar een hit en de scènes van de absurdistische middelbareschoolkomedie vliegen het internet over. Vooral bij scholieren en studenten zijn Erik en Tom, gespeeld door Van Kamthout en Van de Velde, populair. In de theatershow pakt Rundfunk het anders aan. Op het podium spelen de jonge acteurs verschillende typetjes. Woensdag 13 december gaat Wachstumsschmerzen in première.

De afgelopen weken zaten jullie in veel praatprogramma’s. Daarbij doen jullie me denken aan van die populaire jongens op de middelbare school om wie iedereen moet lachen, maar bij wie je ook op je hoede moet zijn. Mocht je wat fout doen, maken ze een grap over je.

Yannick: „Ik snap wat je bedoelt. Wij werden door de directeur van de toneelschool altijd de jongens achterin de bus genoemd.”

Waarom?

Tom: „We vinden het leuk om mensen in de zeik te nemen.

Yannick: „De toneelschool is zo’n serieuze opleiding, zo’n droom voor iedereen. Voor ons ook, maar wij vonden het ook leuk om door dingen heen te prikken. Ik ben een keer weggestuurd omdat ik de slappe lach kreeg van een docent. Het klonk allemaal zo opgeblazen wat die zei. Ik keek Tom aan en ging vervolgens helemaal stuk van het lachen.”

Tom: „Wij houden er allebei niet van als mensen zichzelf te belangrijk vinden. Dat gebeurt veel op de toneelschool. Ik heb dat overigens in het eerste jaar ook gedaan. Maar nu denk ik: je bent ook maar acteurtje hoor.”

Yannick: „Tegelijkertijd werkten we echt het hardst van de hele klas. Zo’n toneelschool slokt je op. We waren er zes dagen per week mee bezig. Soms van ’s ochtends kwart over acht tot ’s avonds tien.”

Tom: „Ik weet niet of klasgenoten en leraren dat zagen. Ik kan me herinneren dat in het tweede jaar iedereen een presentatie van tien minuten moest geven. Bij de evaluatie kregen we te horen: ‘Tommie en Yannick natuurlijk leuk’. Daarna gingen ze door. Op al die andere optredens gingen ze wel in.”

Voelden jullie je soms niet serieus genomen?

Yannick: „Zo extreem was het niet.” Tom: „Maar we nemen humor misschien wel serieuzer dan anderen. Het is denk ik moeilijker om iemand te laten lachen dan iemand te laten huilen. Ik denk dat veel mensen dat onderschatten.”

Yannick: „We werken gedisciplineerd. We spreken nog steeds bijna elke dag in een repetitielokaal af om samen te oefenen.”

Tom: „Soms spelen we wat. Soms ouwehoeren we wat, maken we snel een scène en gaan daarna naar de bioscoop. Dat is onze werkwijze. Het was wel idioot dat we een aantal van die scènes een paar maanden later met steengoede acteurs bloedserieus op een set stonden te spelen.”

Jullie werkwijze klinkt niet heel erg serieus en gedisciplineerd.

Tom (op serieuze toon): „Hemingway heeft ooit gezegd dat het moeilijkste aan creëren is om je vrouw te overtuigen dat staren uit het raam ook werk is. Als wij slap ouwehoeren of naar de bioscoop gaan, is dat ook creëren. Het is belangrijk voor het creatieve proces en dat doen we heel gedisciplineerd elke dag. We ouwehoeren op de toppen van ons kunnen over wat we willen maken. En dan ontstaan opeens scènes.”

Jullie staan bekend om jullie grove grappen. Daar krijgen jullie continu vragen over.

In koor: „Daar zijn we wel een beetje klaar mee ja.” Yannick: „Het is zelfs het grootste misverstand over ons. Mensen denken dat wij expres grove humor maken. Nee, we maken deze grappen omdat wij erom moeten lachen, niet om te choqueren. We kregen laatst de vraag: is er een grap te grof om te maken. Louis C.K. zegt daarover: Zeggen dat iets te erg is om een grap over te maken is hetzelfde als zeggen dat een ziekte te erg is om te genezen. Daar geloof ik heilig in. Ik vind dat je over alles wat pijnlijk is, juist een grap moet maken.”

Waarom moet het?

Yannick: „Omdat je dan dingen bespreekbaar maakt. Je schudt iets los, het publiek leert misschien anders naar iets kijken.”

Tom: „Anders blijft het een onderhuids ding dat niet besproken mag worden. Dan blijft het kriebelen.”

Yannick: „Maar we gaan niet zitten en denken: welk onderwerp gaan we nu aansnijden? We maken grappen omdat wij daar samen om moeten lachen. In de show zit een scène waarin ik zeg dat de koffieautomaat stuk is. Er gebeurt niet heel veel in die sketch, hij is alleen in het Arabisch. Het publiek moet zo hard lachen. We willen geen maatschappelijk probleem aansnijden met de scène, de twee hoofdrolspelers zijn geen vluchtelingen, het heeft niets met de islam te maken, hij is gewoon in het Arabisch omdat ik dacht dat het grappig was. Ja, zo simpel is het meestal bij ons.”

Tom: „We hebben een Marokkaanse oud-klasgenoot gevraagd de zinnen te vertalen. Die hebben we toen uit ons hoofd geleerd.”

Yannick: „Het moet perfect zijn. Je kan niet maar wat verzinnen, dat voelt het publiek.”

Tom: „Laatst hadden we een Marokkaanse vrouw in de zaal zitten en die ging helemaal stuk.”

Yannick: „Terwijl er niet eens een uitsmijtende grap inzit. Belangrijk bij onze vorm van humor is de kwaliteit van het spel. Bij deze mate van extreme ongemakkelijkheid en soms absurditeit, moet je er vol in. Gisteren hadden we nieuwe decors, moesten we weer wennen en dan merk je dat sommige dingen niet werken. We moeten echt op de toppen van ons kunnen spelen.”

Een theorie die in cabaret bestaat, zegt dat mensen die veel grappen maken, humor vroeger gebruikten als overlevingsstrategie. Omdat je gepest bent, omdat je veel ruzie had met je ouders of om een andere trieste reden zoek je een manier om met die pijn om te gaan. Jullie verklaren in interviews een fantastische jeugd te hebben gehad. Maatschappelijk geëngageerd willen jullie ook niet zijn. Het gaat jullie dus echt om de humor zelf. Is humor volgens jullie de hoogste vorm van kunst?

Tom: „Nee, welnee. Het schrijven van een roman lijkt me een stuk moeilijker.”

Yannick: „Als ik kijk naar Het melkmeisje van Vermeer dan vind ik dat het wel een stuk beter in elkaar steekt.”

Tom: „We vinden het gewoon heel erg leuk om elkaar aan het lachen te maken.”

Iedereen die met jullie werkt, zegt dat jullie bijna een huwelijk hebben. Beschrijf jullie band eens.

Yannick: „We zijn al jaren bijna elke dag samen en zijn elkaar nooit zat. Onze vriendinnen moeten daarmee leven. Onze werkrelatie heb ik wel eens uitgelegd aan de hand van cirkels. We hebben heel veel overeenkomsten maar op cruciale punten zijn we heel erg tegenovergesteld. Tom gaat een procent of dertig verder in gekte. Ik ga dertig procent verder in taal en details.”

Tom: „En we vertrouwen elkaar daarin.”

Yannick: „Blind. Als Tom met iets totaal krankzinnigs komt, gaan we daar meteen voor maar als ik zeg: dit woord moeten we veranderen, dan doen we dat. Het kan dan echt iets kleins zijn. In plaats van ‘fijn’ het woord ‘prettig’.”

Is humor de basis van jullie relatie?

Yannick: „Ja.”

Wie zouden jullie zijn zonder elkaar?

Tom: „Ik zou een heel ongelukkige acteur zijn geworden. Ik weet niet of ik veel werk had gehad. Ik had in allemaal serieuze dingen gestaan maar zou elke avond twijfelen aan mezelf.”

Geeft Yannick je dan vertrouwen?

Tom: „Met Yannick ben ik niet alleen acteur, maar ook een maker. Als maker zit je niet vast aan een script. Als iets niet werkt, kan je het veranderen. Dus het vertrouwen komt niet direct van Yannick, maar omdat ik blij ben om wie ik ben met hem. Yannick was trouwens een grote acteur geworden in Amerika.”

Yannick: „Ik dacht echt dat ik het daar ging maken. Dat was altijd mijn focus voordat ik naar de toneelschool ging. En toen ontmoette ik Tom. Nu heb ik die ambitie opgegeven.”

Waarom?

Yannick: „Ik ben volmaakt gelukkig als ik met Tom aan het spelen ben. Wat is er nou leuker dan met je beste vriend andere mensen aan het lachen te maken? Dat ze even hun zorgen vergeten. Dat is voor mij puur geluk.”