Fiets

Bij nummer 41 bel ik aan. Een man met een hoofd vol smeer doet open. In zijn de rechterhand heeft hij wat shag. ,,Hij staat al klaar mevrouwtje.” De vent mist een voortand. De andere tand floept zelfs met zijn mond dicht nog tussen twee lippen door, zo trots dat ie er wel nog is.
Mijn fiets is dit weekend gejat. Het is al de derde. Mijn Portugese vriend krijgt er een punthoofd van. ,,Zet hem nou eens goed op slot.” Ik zeg hem spottend dat je pas echt ingeburgerd bent als iemand er met je tweewieler vandoor is gegaan. Fietsen jatten, is onderdeel van de Nederlandse cultuur.

,,Je heb een grrroter stuur nodig,” zegt de man als ik terugkom van een ritje. Zijn ‘r’ rolt zo de donkere nacht in. Ik knik. Met mijn 1.85m moet ik mijn knieën in mijn nek leggen. ,,Ken ik wel regelen.” Hij opent de deur van zijn kelder. Overal liggen fietsen, banden en sturen. ,,Ik zit in oud ijzer. Ik hoef geen uitkering. Dan mot je solliciteren.”

Hij zet een ander stuur op de fiets. Ik geef hem 75 euro en vertrek. Als ik de straat uit ben, kijk ik naar beneden. Geen slot. ,,Waarom denk je?”, vraagt mijn vriendje als ik thuis kom. ,,Ik ben benieuwd hoeveel hij voor jouw oude fiets gaat vragen.”

Ik geloof dat die Portugees toch beter ingeburgerd is dan ik.

Verschenen in Haarlems Dagblad