Stop William Boeva maar in een hokje, hij breekt er wel uit

De Vlaamse comedian William Boeva toert de komende maanden door Nederland. „Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”

William Boeva (28) heeft sokken aan bij het interview. Dat klinkt logisch, maar Boeva’s armen zijn kort en reiken niet verder dan zijn onderbenen. „Ik neem elke ochtend mijn sokken mee in mijn jas, hopend dat ik snel iemand tref die ik ken.” Vanochtend is hij op straat een bekende tegengekomen die zijn koude voeten in een wit paar heeft gestoken. Boeva noemt zichzelf ‘dwerg’, het Nederlandse woord lilliputter vindt hij maar niets. Officieel heet zijn handicap pseudo-achondroplasie. Zijn romp en hoofd zijn van normale grootte, zijn ledematen niet.

Komende maanden toert Boeva met Reset door Nederland. Het interview over zijn show en zijn leven vindt plaats in café Het Bezemsteeltje, op steenworp afstand van Boeva’s huis in hartje Antwerpen. Aan de bar hangen op vrijdagochtend drie oude mannen op bruine leren barkrukken. Vlaamse levensliederen schallen net te hard door de boksen. „Ik heb wel gekeken of we rondom het station kunnen afspreken maar ik geraak daar gewoon niet. Het stationsgebied is verboden voor auto’s en ik kan maar 300 meter wandelen.”

Op papier klinkt Boeva wat zeurderig, in het echt is hij vooral erg vriendelijk en openhartig. In een van de scènes van zijn show vertelt Boeva dat hij zijn ‘gat’ niet af kan vegen. „Ik weet precies op welke toiletten in België ik mijn behoefte kan doen. Ik plan mijn toiletbezoek. Soms eet ik niet van tevoren omdat ik weet dat ik anders problemen krijg.” Vorig jaar ging het mis. Hij reed na een optreden naar huis, voelde gerommel in zijn buik, waarschijnlijk de hete bonenschotel van de avond daarvoor en moest stoppen bij een benzinestation. De gênante scène die volgt, beschrijft Boeva kostelijk.

Je regisseur vertelde dat hij je moest overtuigen om de scène in je show te stoppen.

„Ik heb over het incident een half jaar gezwegen. Ik schaamde me er zo voor. Vorig jaar ben ik mijn tweede voorstelling gaan schrijven. Mijn regisseur zei: dat moet erin. Het verhaal schuurt, is grappig en geeft zo duidelijk weer waar je tegenaan kan lopen met deze handicap. Maar het is niet meteen leuk om zoiets pijnlijks en persoonlijks met een groot publiek te delen.

„Mijn regisseur heeft mij überhaupt moeten overtuigen dat ik mijn handicap moet gebruiken. Ik ben begonnen met comedy toen ik achttien was. Ik praatte een beetje over Star Wars en politiek en zei niets over mijn lengte. Kijk, ik had een warme jeugd. Mijn ouders hebben me altijd goed beschermd. Ik had niet veel vrienden maar de vrienden die ik had, zorgden voor mij. Als we op reis wilden, stelden ze nooit voor: zullen we gaan skiën? Op die manier voelde het niet alsof ik een beperking had. Maar toen ik bij regisseur Han Coucke workshops ging volgen, zei hij: je kan er niet omheen. Mensen zien wat aan je. Het is ook een mogelijkheid. Gebruik het in je voordeel.”

Je praat nu meer over je handicap dan vroeger?

„Ja.”

Ben je gelukkiger nu je dat doet?

„Ja en nee. Ik word er niet gelukkiger van dat ik met mijn neus op de feiten word gedrukt, maar ik kan misschien ook de weg vrij maken voor anderen. Omdat ik wat bekender ben, luisteren mensen nu een beetje naar mij. Ik heb lang niet in een hokje willen passen, heb me verzet tegen het idee ‘ik ben dwerg’. Nu denk ik: stop me maar in een hokje, dan breek ik er wel uit. Ik ben meer dan mijn handicap.”

Dat klinkt meer als een plicht, niet als iets waar je gelukkig van wordt.

„Ik vind het nu niet erg meer. Zo openhartig zijn, leert mij om mijn handicap meer en meer te aanvaarden. Kijk, ik lig er ’s nachts wakker van. Waarom ik, vraag ik mezelf dan af. Het is onveranderbaar. Ik kan het niet oplossen. Dit is mijn leven. Ik moet hiermee omgaan.

„Mensen kijken ook continu op een bepaalde manier naar mij. Als ik het podium op loop en het publiek kent mij niet, dan is er bijna een soort angst. Zo van: weet hij dat hij een dwerg is? Nu gebruik ik dat. Als ik op kom, laat ik expres de microfoonstandaard te hoog staan. Dan zie je mensen denken: o nee, hij kan er niet bij, wat moeten we nou doen? Moet iemand het podium op? Ik draai vervolgens het statief naar beneden en doe alsof ik boos ben. Meestal zeg ik: de eerste die plop zegt, sla ik op zijn bek.”

Heb je veel fysieke problemen?

„Vroeger heb ik veel operaties gehad om mijn benen en armen te verlengen. Mijn botten zijn op twee plaatsen gebroken en daartussen zijn pinnen gestoken. Aan de buitenkant konden artsen aan het skelet draaien waardoor mijn armen en benen werden opgerekt. Mijn armen zijn elf centimeter langer geworden, mijn bovenbenen negen centimeter en mijn onderbenen twaalf centimeter.

„Je wordt uit elkaar getrokken. Het waren Middeleeuwse praktijken. Ik kreeg wel pijnstillers hoor, maar als je vijf bent en wakker wordt met een ijzeren skelet aan je benen, dan begrijp je dat niet. Het eerste wat ik deed, was eraan trekken. Dat moet eraf dacht ik, want het deed pijn en jeukte. Op den duur went het en kun je ervan slapen. Ik heb er zes jaar mee rondgelopen. Nu ben ik erg blij met die behandelingen. Het is het verschil tussen alles moeten aanpassen in huis, en net niets.”

Ik heb moeten lachen om je show. Tegelijkertijd had ik ook vaak medelijden. Je schetst een beeld van iemand die zich moet invechten in de maatschappij. Wat vind je ervan als mensen medelijden met je hebben?

„Het klinkt misschien raar, maar dat vind ik zeker niet erg. Comedy is een ‘area of emotions’, niet alleen maar hard lachen. Het publiek stil krijgen, is misschien nog wel mooier. Daarnaast, zo’n handicap is constant gedoe en dat wil ik graag laten zien. Ik woon nu twee maanden op mezelf en heb een invalidekaart aangevraagd. Maar dit is België, dus dat duurt zes maanden. Ik kan nu amper parkeren in de buurt. Als ik terugkom van mijn show moet ik op zoek naar een parkeerplek. Vaak staat alles vol. Dan rij ik wel twee uur rond.”

Midden in de nacht?

„Ja. Ik zet mijn auto wel eens op de laad-en losplek maar ik heb al zoveel bekeuringen gekregen. Die moet ik dan weer aanvechten.”

Maakt dat je boos?

„Steeds bozer. Omdat dit soort dingen de integratie van mensen met een handicap belemmert in de maatschappij. Terwijl het opgelost kan worden.”

Vroeger stonden dwergen, reuzen, dikke dames en zwarte mensen op het podium om mensen te vermaken, omdat hun anders-zijn als ‘rariteit’ werd beschouwd. Is er wat veranderd?

„Voor ons niet. Wij zijn nog steeds een rariteit. Ik denk dat we niet verder zijn dan de Middeleeuwen qua integratie, zelfs achteruit zijn gegaan, omdat we toen wel in het straatbeeld voorkwamen. Loop eens op straat en tel hoeveel mensen er een handicap hebben. Zoek dan eens op hoeveel mensen er volgens de cijfers een handicap hebben. Waar zijn ze dan? Verscholen in huizen. Ze doen niet mee in de maatschappij.”

In je show hou je met een groot telraam bij hoeveel dwergenmoppen je maakt. Waarom?

„In België kreeg ik kritiek omdat ik te veel dwergenmoppen zou maken. Voor de gein heb ik daarom een groot telraam op het podium gezet. Het is ook provocerend bedoeld, dit is mijn leven. De meeste cabaretiers maken comedy over hun eigen leven, ik dus ook. Maar de kritiek remt mij wel af. Ik zit in België wel eens in televisieprogramma’s en dan denk ik: dit zou een mooie grap zijn. Toch vertel ik hem niet. Ik stel me voor hoe mensen reageren: ze gaan eerst lachen en daarna zeggen, ja dat is wel gemakkelijk. Ik zou me er niets van aan kunnen trekken maar ik wil bewijzen dat ik ook zonder die grappen goed ben. Ik wil dat mensen komen kijken naar William Boeva de mens en niet naar William Boeva de dwerg.”

Rundfunk neemt alleen grappen serieus

Theater Yannick van de Velde en Tom van Kalmthout werden immens populair met hun absurdistische serie ‘Rundfunk’ die werd uitgezonden op de NPO. Ze staan nu in het theater met ‘Wachstumsschmerzen’.

Kwajongens of pubers. Volgens vrienden en collega’s lijken de mannen van Rundfunk in het echt op de typetjes die ze in de serie spelen. Rundfunk is sinds twee jaar een hit en de scènes van de absurdistische middelbareschoolkomedie vliegen het internet over. Vooral bij scholieren en studenten zijn Erik en Tom, gespeeld door Van Kamthout en Van de Velde, populair. In de theatershow pakt Rundfunk het anders aan. Op het podium spelen de jonge acteurs verschillende typetjes. Woensdag 13 december gaat Wachstumsschmerzen in première.

De afgelopen weken zaten jullie in veel praatprogramma’s. Daarbij doen jullie me denken aan van die populaire jongens op de middelbare school om wie iedereen moet lachen, maar bij wie je ook op je hoede moet zijn. Mocht je wat fout doen, maken ze een grap over je.

Yannick: „Ik snap wat je bedoelt. Wij werden door de directeur van de toneelschool altijd de jongens achterin de bus genoemd.”

Waarom?

Tom: „We vinden het leuk om mensen in de zeik te nemen.

Yannick: „De toneelschool is zo’n serieuze opleiding, zo’n droom voor iedereen. Voor ons ook, maar wij vonden het ook leuk om door dingen heen te prikken. Ik ben een keer weggestuurd omdat ik de slappe lach kreeg van een docent. Het klonk allemaal zo opgeblazen wat die zei. Ik keek Tom aan en ging vervolgens helemaal stuk van het lachen.”

Tom: „Wij houden er allebei niet van als mensen zichzelf te belangrijk vinden. Dat gebeurt veel op de toneelschool. Ik heb dat overigens in het eerste jaar ook gedaan. Maar nu denk ik: je bent ook maar acteurtje hoor.”

Yannick: „Tegelijkertijd werkten we echt het hardst van de hele klas. Zo’n toneelschool slokt je op. We waren er zes dagen per week mee bezig. Soms van ’s ochtends kwart over acht tot ’s avonds tien.”

Tom: „Ik weet niet of klasgenoten en leraren dat zagen. Ik kan me herinneren dat in het tweede jaar iedereen een presentatie van tien minuten moest geven. Bij de evaluatie kregen we te horen: ‘Tommie en Yannick natuurlijk leuk’. Daarna gingen ze door. Op al die andere optredens gingen ze wel in.”

Voelden jullie je soms niet serieus genomen?

Yannick: „Zo extreem was het niet.” Tom: „Maar we nemen humor misschien wel serieuzer dan anderen. Het is denk ik moeilijker om iemand te laten lachen dan iemand te laten huilen. Ik denk dat veel mensen dat onderschatten.”

Yannick: „We werken gedisciplineerd. We spreken nog steeds bijna elke dag in een repetitielokaal af om samen te oefenen.”

Tom: „Soms spelen we wat. Soms ouwehoeren we wat, maken we snel een scène en gaan daarna naar de bioscoop. Dat is onze werkwijze. Het was wel idioot dat we een aantal van die scènes een paar maanden later met steengoede acteurs bloedserieus op een set stonden te spelen.”

Jullie werkwijze klinkt niet heel erg serieus en gedisciplineerd.

Tom (op serieuze toon): „Hemingway heeft ooit gezegd dat het moeilijkste aan creëren is om je vrouw te overtuigen dat staren uit het raam ook werk is. Als wij slap ouwehoeren of naar de bioscoop gaan, is dat ook creëren. Het is belangrijk voor het creatieve proces en dat doen we heel gedisciplineerd elke dag. We ouwehoeren op de toppen van ons kunnen over wat we willen maken. En dan ontstaan opeens scènes.”

Jullie staan bekend om jullie grove grappen. Daar krijgen jullie continu vragen over.

In koor: „Daar zijn we wel een beetje klaar mee ja.” Yannick: „Het is zelfs het grootste misverstand over ons. Mensen denken dat wij expres grove humor maken. Nee, we maken deze grappen omdat wij erom moeten lachen, niet om te choqueren. We kregen laatst de vraag: is er een grap te grof om te maken. Louis C.K. zegt daarover: Zeggen dat iets te erg is om een grap over te maken is hetzelfde als zeggen dat een ziekte te erg is om te genezen. Daar geloof ik heilig in. Ik vind dat je over alles wat pijnlijk is, juist een grap moet maken.”

Waarom moet het?

Yannick: „Omdat je dan dingen bespreekbaar maakt. Je schudt iets los, het publiek leert misschien anders naar iets kijken.”

Tom: „Anders blijft het een onderhuids ding dat niet besproken mag worden. Dan blijft het kriebelen.”

Yannick: „Maar we gaan niet zitten en denken: welk onderwerp gaan we nu aansnijden? We maken grappen omdat wij daar samen om moeten lachen. In de show zit een scène waarin ik zeg dat de koffieautomaat stuk is. Er gebeurt niet heel veel in die sketch, hij is alleen in het Arabisch. Het publiek moet zo hard lachen. We willen geen maatschappelijk probleem aansnijden met de scène, de twee hoofdrolspelers zijn geen vluchtelingen, het heeft niets met de islam te maken, hij is gewoon in het Arabisch omdat ik dacht dat het grappig was. Ja, zo simpel is het meestal bij ons.”

Tom: „We hebben een Marokkaanse oud-klasgenoot gevraagd de zinnen te vertalen. Die hebben we toen uit ons hoofd geleerd.”

Yannick: „Het moet perfect zijn. Je kan niet maar wat verzinnen, dat voelt het publiek.”

Tom: „Laatst hadden we een Marokkaanse vrouw in de zaal zitten en die ging helemaal stuk.”

Yannick: „Terwijl er niet eens een uitsmijtende grap inzit. Belangrijk bij onze vorm van humor is de kwaliteit van het spel. Bij deze mate van extreme ongemakkelijkheid en soms absurditeit, moet je er vol in. Gisteren hadden we nieuwe decors, moesten we weer wennen en dan merk je dat sommige dingen niet werken. We moeten echt op de toppen van ons kunnen spelen.”

Een theorie die in cabaret bestaat, zegt dat mensen die veel grappen maken, humor vroeger gebruikten als overlevingsstrategie. Omdat je gepest bent, omdat je veel ruzie had met je ouders of om een andere trieste reden zoek je een manier om met die pijn om te gaan. Jullie verklaren in interviews een fantastische jeugd te hebben gehad. Maatschappelijk geëngageerd willen jullie ook niet zijn. Het gaat jullie dus echt om de humor zelf. Is humor volgens jullie de hoogste vorm van kunst?

Tom: „Nee, welnee. Het schrijven van een roman lijkt me een stuk moeilijker.”

Yannick: „Als ik kijk naar Het melkmeisje van Vermeer dan vind ik dat het wel een stuk beter in elkaar steekt.”

Tom: „We vinden het gewoon heel erg leuk om elkaar aan het lachen te maken.”

Iedereen die met jullie werkt, zegt dat jullie bijna een huwelijk hebben. Beschrijf jullie band eens.

Yannick: „We zijn al jaren bijna elke dag samen en zijn elkaar nooit zat. Onze vriendinnen moeten daarmee leven. Onze werkrelatie heb ik wel eens uitgelegd aan de hand van cirkels. We hebben heel veel overeenkomsten maar op cruciale punten zijn we heel erg tegenovergesteld. Tom gaat een procent of dertig verder in gekte. Ik ga dertig procent verder in taal en details.”

Tom: „En we vertrouwen elkaar daarin.”

Yannick: „Blind. Als Tom met iets totaal krankzinnigs komt, gaan we daar meteen voor maar als ik zeg: dit woord moeten we veranderen, dan doen we dat. Het kan dan echt iets kleins zijn. In plaats van ‘fijn’ het woord ‘prettig’.”

Is humor de basis van jullie relatie?

Yannick: „Ja.”

Wie zouden jullie zijn zonder elkaar?

Tom: „Ik zou een heel ongelukkige acteur zijn geworden. Ik weet niet of ik veel werk had gehad. Ik had in allemaal serieuze dingen gestaan maar zou elke avond twijfelen aan mezelf.”

Geeft Yannick je dan vertrouwen?

Tom: „Met Yannick ben ik niet alleen acteur, maar ook een maker. Als maker zit je niet vast aan een script. Als iets niet werkt, kan je het veranderen. Dus het vertrouwen komt niet direct van Yannick, maar omdat ik blij ben om wie ik ben met hem. Yannick was trouwens een grote acteur geworden in Amerika.”

Yannick: „Ik dacht echt dat ik het daar ging maken. Dat was altijd mijn focus voordat ik naar de toneelschool ging. En toen ontmoette ik Tom. Nu heb ik die ambitie opgegeven.”

Waarom?

Yannick: „Ik ben volmaakt gelukkig als ik met Tom aan het spelen ben. Wat is er nou leuker dan met je beste vriend andere mensen aan het lachen te maken? Dat ze even hun zorgen vergeten. Dat is voor mij puur geluk.”