Luister om te begrijpen, zeker nu je op elkaars lip zit

Communicatie Tijdens deze corona-quarantaine is een ruzie met je partner snel gemaakt. Journalist Anouk Kragtwijk leerde vorig jaar Geweldloze Communicatie, die lessen komen nu van pas.

Ik heb net midden op tafel de zakken van mijn jas geleegd als mijn vriend naar beneden komt. Ik hang boven de troep, maar ben de wasknijper, de poepzakjes, hondenbrokjes en bonnetjes eigenlijk allang vergeten en kijk gebiologeerd naar een filmpje op mijn mobiel van iemand die toiletpapier hooghoudt. Mijn vriend loopt naar mij toe en met een veeg gooit hij al mijn spullen op de grond. „Ik wil een lege tafel. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?” Ik ontplof bijna van zijn kinderachtige gedrag. „Ik ga dit dus echt niet opruimen. Als je iets van me wil, moet je het maar normaal vragen.”

Inderdaad. Ook bij ons is het gezellig tijdens deze corona-quarantaine. We zitten op elkaars lip en dat brengt niet het beste in ons naar boven. We zijn niet de enigen. Mensen klagen op Twitter en in mijn omgeving over hun partner. Wat doe je met een man die de hele dag in zijn pyjama rondloopt? Of iemand die geen zak doet in het huishouden? Een geliefde die wil gaan winkelen, terwijl jij vindt dat jullie nu thuis moeten blijven? Zoals relatie- en gezinstherapeut Eliane Wiebenga zegt: „Alle relaties zijn in een hogedrukpan terechtgekomen. En dat legt dingen bloot die je normaal wel een uurtje volhoudt maar niet 24 uur per dag, zeven dagen per week.”

Toen bij ons de zoveelste ruzie aanbrak omdat ik het onverantwoord vond dat mijn vriend nog even naar zijn werk zou gaan, trapte hij op de rem en zei: „Hé hé hé, we moeten nog drie weken samen zo leven. Laten we lief zijn voor elkaar.” Ik besloot mijn reactie in te slikken. Ik haalde adem en zei iets wat ik vorig jaar had geleerd: „Jij zegt ‘ik wil naar mijn werk’. Ik voel me nu boos. Ik heb behoefte aan veiligheid, dat jij veilig bent, dat ik veilig ben. Zou je alsjeblieft thuis willen blijven?”

Ik had de enigszins robotachtige zinnen geleerd op de eendaagse groepsworkshop Geweldloze Communicatie die we vorig jaar mei volgden. Waarom? We bekvechtten te veel. Waarover? Het huishouden. „Ons huishouden is heel erg geëmancipeerd fiftyfifty verdeeld. Ik maak de troep en mijn vriend ruimt alles op”, grapte ik altijd.

Maar het was niet grappig. Elke dag hadden we mot omdat de keuken volgens mijn vriend niet opgeruimd genoeg was, er te veel frutseltjes op de grond lagen, de tafel vol lag met kranten en boeken. Hij ergerde zich aan de spullen, ik aan zijn rigiditeit en zijn toon. Hij vroeg niet rustig: „Wil je het opruimen lieverd?” Maar zei pinnig: „Doe je wel eens iets goed?” Ik beet hem dan weer toe: „Waarom praat je zo respectloos?” Hij: „Waarom doe je zo respectloos?” Er zat niets anders op dan het probleem grondig aan te pakken.

Geweldloze Communicatie is bedacht door de Amerikaanse psycholoog Marshall Rosenberg. De hoofdvraag van de methode is: hoe kom je dichter tot elkaar? In plaats van: hoe krijg je je gelijk? Op een zonnige dag in mei legde trainer Jan Carel van Dorp ons de basis van de methode uit. „Communiceren is luisteren. Wanneer luisteren om te reageren overgaat in luisteren om te begrijpen, ontstaat er echt contact. Verbinding moet altijd boven inhoud gaan.”

Dat klinkt misschien nogal wiedes, de crux zit hem vooral in het ‘hoe’. Daar zijn vier stappen voor: eerst het benoemen van een waarneming, daarna het benoemen van je gevoel, het benoemen van je behoefte en uiteindelijk het doen van een verzoek. En allemaal zonder te oordelen.

Van Dorp geeft een voorbeeld: „Iemand heeft ondanks een afspraak de afgelopen twee maandagen niet gebeld. Als je dan zegt: ‘Je hebt mij de afgelopen twee weken genegeerd’, voelt die ander zich bekritiseerd en haakt af. Je helpt jezelf door aan een videocamera te denken en uit te spreken wat de videocamera uitzendt.” Bijvoorbeeld: ‘ik heb je twee keer gebeld en je nam niet op’. „Of, een ander voorbeeld, door letterlijk te citeren wat de ander zegt: ‘Ik hoorde je zeggen dat je mij een luilak vindt’. Dat komt heel anders over dan te beginnen met: ‘toen je me beledigde’.”

Daarna volgt het uiten van je gevoel. „We zijn geneigd gevoelsuitingen te gebruiken die aankomen als kritiek. Als je bijvoorbeeld zegt: ik voel me niet serieus genomen, zeg je iets over hoe jij denkt dat de ander zich ten opzichte van jou gedraagt. Je spreekt een gedachte uit, niet een gevoel.” We krijgen tijdens de cursus een briefje waar tientallen gevoelsbegrippen op staan en oefenen in het uiten van wat er van binnen speelt: ik voel me verdrietig, ik voel me blij, ik voel me kwetsbaar. Zonder gejijbak.

En dan komen de behoeftes, het allerbelangrijkste punt in de methode. Van Dorp citeert Rosenberg: „‘Alles wat we doen, doen we om een behoefte te vervullen.’ Maar als we communiceren gaan we vaak voorbij aan de behoefte die daaraan ten grondslag ligt.” Oftewel, we communiceren die behoefte niet, terwijl wanneer we blaffen, bijten, jammeren, we altijd worden gedreven door een behoefte. „Behoeftes zijn bijvoorbeeld: contact, focus, rust, harmonie, vreugde, expressie en ze zijn universeel. Het zijn waarden die uitnodigen om verbinding te ervaren met onszelf en van daaruit met elkaar.” Al snel blijkt dat iedereen een andere strategie heeft om die behoeftes te verwezenlijken. Mijn behoefte tot rust vul ik in door te mediteren en te wandelen met de hond. Mijn vriend door op de bank te kijken naar wielrennen, en door een opgeruimd huis te hebben. Aha, dacht ik. Het opgeruimde huis is voor hem net zo belangrijk als mijn meditatie.

Uiteindelijk eindigt de methode met het uiten van een verzoek: een vraag waar iemand ja of nee op kan antwoorden. Bijvoorbeeld: zou je alsjeblieft de afwas op willen ruimen? „Iemand moet de vrijheid hebben om daar nee op te antwoorden.”

Er vielen kwartjes tijdens de cursus. We bestoken elkaar in onze maatschappij met verwijten, met argumenten, met emoties, maar leggen niet werkelijk onze ziel bloot door te zeggen ‘dit heb ik nodig’. En wanneer doe ik dat eigenlijk? Wat was mijn behoefte qua huishouden? Ik had daar nooit bij stilgestaan. Ik probeerde angstvallig te voldoen aan de tips van de Libelles en Margrieten van deze wereld waarin het hebben van een schoon huis meer een vaststaand iets lijkt dan een mogelijkheid waar je voor kunt kiezen. Ik faalde daar alleen behoorlijk in omdat ik een chaotisch brein heb. Maar vond ik dat eigenlijk zelf erg? Wat verlangde ik? Meer flexibiliteit in ons huis? Creativiteit? Hulp om mijn ongeordende geest te structureren? Gezien worden in mijn goede intenties? Ja dat wilde ik allemaal. En harmonie.

Van Dorp kijkt zelf nu ook met andere ogen naar zijn verleden. „Ik ben gescheiden. Mijn ex en ik hadden vaak ruzie over mijn overwerken. Ik begrijp nu dat ik gekrenkt en geïrriteerd was als ze daar iets over zei, alleen lukte me dat toen niet. Ik had behoefte om gezien te worden voor mijn inzet om geld te verdienen voor het gezin. Ik hoorde helemaal niet het belang van mijn ex onder de opmerkingen, haar behoefte aan gezamenlijkheid. En zij deelde die ook niet. Ik dacht zelfs dat ze zich zorgen maakte over mijn gezondheid en dat ze vond dat ik meer moest bewegen. Dus ik kwam op een vrijdagavond thuis en zei: ‘ik ga morgen golfen’. Toen ontplofte de boel. En ik begreep daar niets van. Ik dacht, wacht eens even, je zei toch dat je wilde dat ik op zaterdag niet zou overwerken?”

De methode ligt goed bij deskundigen die zich bezighouden met relaties en gezinnen. Al benadrukt relatie- en gezinstherapeut Eliane Wiebenga dat de aandacht voor behoeftes in bijna elke vorm van relatietherapie aan bod komt. „Achter kritiek zit vaak een wens of verlangen. Als je ruzie hebt, helpt het om te vertellen waarom voor jou iets zo belangrijk is.”

Wiebenga is enthousiast over de methode, maar ze zegt ook: „Bij ernstiger relatieproblemen spelen vaak ook trauma’s of nare ervaringen uit het verleden een rol. Mensen kunnen reageren vanuit deze ‘blauwe plekken’ Dan is de reactie heftiger dan uit de situatie zelf begrijpelijk is. Voor het verkennen en behandelen van die psychologische achtergrond is eigenlijk geen plek bij Geweldloze Communicatie, terwijl dat soms wel nodig is om verder te komen in je relatie.”

Esther Kluwer, hoogleraar duurzame relaties aan de Radboud Universiteit en de Universiteit Utrecht zegt dat het uiten van je behoefte misschien simpel klinkt. „Maar het is verschrikkelijk moeilijk. Want behoeftes raken ondergesneeuwd door emoties en door het appèl dat je partner op je doet in ruzies, bijvoorbeeld door kritiek te leveren. Op dat soort momenten is het belangrijk om ruimte te nemen, afstand te creëren. Probeer je eigen emoties reguleren. Niet te reageren op een verwijt maar vragen wat daaronder zit.”

Wiebenga heeft ook eigen tips. „Bedenk je ook: hoe noodzakelijk is dit punt? Is het een strijd waard? Wil je echt belangrijke dingen bespreken, neem dan de tijd om goed te luisteren naar elkaar. Kom niet direct met een tegenreactie of oplossing. Bij kleine dingen is het handig om juist snel een knoop door te hakken en het niet groter te maken dan het is. Daarnaast gaat het in een relatie ook om verdragen dat je wensen en behoeften nooit 100 procent in vervulling gaan.”

Na de cursus dachten mijn vriend en ik een tijdje dat we samen verlicht waren. Als we onze stem dreigden te verheffen, dan stonden we even stil en gingen we vervolgens echt alle stappen af. Het A4’tje met behoefte- en gevoelsbegrippen die we na de cursus kregen, hingen we op onze koelkast.

We kwamen door die methode tot een praktische maatregel. Als mijn vriend onderweg naar huis was, moest hij even bellen. Ik werkte thuis en had dan drie kwartier om alle spullen in de kast te stoppen die ik ergens had laten slingeren. Ik zoefde dan als een op hol geslagen stofzuiger door ons huis.

Maar het werkte. Zo goed zelfs dat we de methode eigenlijk vergaten. Tot de corona-quarantaine. Toen belde mijn vriend niet meer dat hij naar huis kwam, hij was er immers al. En ik had mijn kleinduimpjesgedrag niet aangepast.

En toch, na een paar dagen was er een prettigere sfeer in huis. Ik dacht na over mezelf, had ik iets veranderd? Ik vroeg het aan mijn vriend. Zijn antwoord kwam als een verrassing. „Ik dacht, ik ruim zelf iets meer op. Ik kan heel boos op je worden, maar ik heb het in vijf minuten gedaan.” Inderdaad, zo vervulde hij zijn eigen behoefte aan rust.

Interview cabaretière Sanne Wallis de Vries: Als ik iets zeg, denk ik: tut tut, ho ho, is dat wel zo?

Hoe leg je uit waar je voorstelling over gaat? Een moeilijke vraag voor Sanne Wallis de Vries. „Dan denk ik, kijk nou wat er gebeurd is. Je bent een ouwe taart die tegen de overgang aanhikt en die de hele tijd adviezen aan mensen wil geven.”

‘Ik ben wel benieuwd hoe je dit eigenlijk gaat opschrijven. Ik hoop niet zo stellig, want zo bedoel ik het niet”, zegt Sanne Wallis de Vries halverwege het interview. Het typeert de cabaretière en dat maakt een interview met haar wel een beetje worstelen. Want Wallis de Vries heeft de interessante eigenschap om dingen fel te zeggen en vervolgens net zo stellig te nuanceren. En ja, wat wil ze dan eigenlijk zeggen?

Het is misschien een onbewuste trek in het interview, toch is het ook haar handelsmerk op het podium. Daar kan ze als cabaretière in één zin al twee nuances maken. Op 6 maart gaat haar nieuwe voorstelling Kom, o.a. over de thema’s gender en klimaat, in première in de Kleine Komedie in Amsterdam.

Je lijkt in het echte leven stelliger over dingen dan op het podium.

„Ja absoluut sowieso.” Ze wacht even. „Hoe dan eigenlijk?”

Over de vluchtelingencrisis had je toch een duidelijke mening?

„Ja nou ja, ik vind dat ik over vluchtelingen niet eens zo stellig ben. Ik vind het heel heavy dat het eigenlijk… het is gewoon heel… er zijn nog nooit zo veel mensen op de vlucht geweest op de aarde. Je moet die mensen in nood helpen. Dat is gewoon fatsoen. Ik snap niet wie daartegen is. De tegenstanders weten vaak helemaal niets van de vluchtelingencrisis. Ze kunnen vaak niet eens asielzoekers, moslims en vluchtelingen uit elkaar houden.”

Later: „Ik ben een cabaretier, ik heb de antwoorden niet. Ik weet eigenlijk niet veel van de vluchtelingenproblematiek.” Grappend: „Ik ben erg tegen vluchtelingen maar vluchtelingen zelf ook. Ik wil er al helemaal niet lang over aan het woord zijn. Maar als ik mensen over de crisis hoor praten denk ik vaak: wat bedoel je dan met migratie? Daar zijn al zoveel definities van. Ik wil vooral vragen stellen.”

In je show spreek jij je ook niet duidelijk uit over de thema’s die je behandelt.

„Nee. Ik vind dat zo’n platitude. Ik geloof dat mensen die naar een voorstelling komen geen lesje hoeven in hoe de wereld in elkaar zit. Ik ga niet in een voorstelling zeggen: ‘We moeten dit. We moeten dat.’ Dat is best een arrogante houding.”

Maar dat soort ‘We moeten meer dit-cabaret’ wordt wel gemaakt. Je zou daarvoor kunnen kiezen.

„De klassieke manier van cabaret maken is dat cabaretiers wat stellen en dan gaan ze vervolgens antwoorden geven. Zo van, we zijn met z’n allen dit aan het doen. Ik heb daar een beetje moeite mee. Dan denk ik ‘we’? Al je alarmbellen moeten gaan rinkelen als iemand dat zegt.”

„Ik vind het juist leuk om vast te lopen in het stellen dat iets zo is. Midden in een zin al. Te zeggen: ‘We, nou ja we, sommige mensen, bepaalde mensen, of nou ja, iemand in mijn omgeving.’ Dat is in Theater Toomler ontstaan. Ik wilde iets zeggen, maar was zenuwachtig en het lukte me gewoon niet om een zin af te maken. Op een gegeven moment zei ik tegen het publiek: ‘Er komt uiteindelijk wel echt een werkwoord’. Mensen in de zaal moesten daar hard om lachen.

Later: „Aan het einde van mijn show probeer ik overigens toch wel tegen mensen te zeggen: kom, ga met mij mee. Want we gaan het helemaal anders doen. Dit werkt allemaal niet meer. De aarde gaat eraan. We zijn met steeds meer. Ga met mij mee, ik leid je de weg.”

Je hebt nu al een aantal keer in het interview iets gezegd en dat vervolgens gerelativeerd. Waarom?

„Als ik iets zeg dan denk ik daarna: Nou, nou, tut tut tut, ho ho. Is dat echt zo? Er zitten meer kanten aan.”

Welke ‘mits’ of ‘maar’ plaats je zodat jij toch wel kan zeggen: kom, ga met me mee?

„Door hoe ik er bijvoorbeeld op dat moment uitzie, een figuur die niet bestaat. En ik speel daarnaast de hele show ook een verwarde vrouw die het ook eigenlijk niet weet. Die zegt dat ze een speech gaat houden over het klimaat maar niet eens een zin kan afmaken. Ik hoop dat mensen aan het einde van de voorstelling denken: nou, misschien ga ik wel met haar mee want haar oproep is beyond arrogant. Het is namelijk raar en verwarrend.”

Kleed je je daarom expres zo aan het einde van de voorstellingen? Zodat je deze dingen wel kan zeggen, zonder arrogant te zijn?

„Nou, daar heb je me. Ik denk dat ik met het klimmen der jaren en door het moeder zijn ben gaan lijden aan dat ik steeds beter denk te weten hoe alles moet. Dat ik de neiging heb, en ik doe dat ook daadwerkelijk, om te zeggen: je moet effe met die hond….” Ze lacht hard. „Ik denk dan: het is zo ver, het is gebeurd, ik ben mijn moeder geworden. Of nog erger dan dat. Want ik ben dus echt naar die vrouw met die hond toegegaan. Ze liep enorm tegen het beest te brullen. Ik heb gezegd: ‘Volgens mij moet u het niet zo doen. Nu bent u afhankelijk van de hond en volgens mij moet het andersom zijn.’ Zij boos natuurlijk. (Zet Amsterdams accent op): ‘Nou dat bepaal ik zelf wel.’” Lachend: „Dan denk ik, kijk nou wat er gebeurd is Sanneke Wallis de Vries. Je bent een ouwe taart die tegen de overgang aanhikt en die de hele tijd adviezen aan mensen wil geven.”

Als ik jou zie heb ik het idee dat je je leven met een opgetrokken wenkbrauw bekijkt. Alsof je continu denkt: waar zijn we nou mee bezig?

„Dat is precies de goede vraag ja: wat zijn we in nou aan het doen? Dat past bij mijn Friese aard, maar die neiging is denk ik ook zo gegroeid door het vak. Als cabaretier is het belangrijk om de onzin van de zin te scheiden. Daar zit de grap. Ik geef ook les in comedy en ik zeg vaak tegen die studenten: leef gewoon je leven, maar neem altijd een schrijfblok mee en schrijf daar de dingen op die je maar raar vindt. Dat levert vaak interessante invalshoeken op voor theater.”

Later: „Kijk het is ook makkelijk, dingen onzin vinden, langs de zijlijn wat roepen. Ik ben getrouwd met een cameraman. Die is helemaal beschouwend. Als we samen tv kijken zeggen we nu vaak subtiel over iemand die duidelijk ouder is geworden: jeetje die is ook geen twintig meer. We bedoelen dan: jezus wat is die oud geworden. Maar ik weet zelf ook: het is een kwetsbare positie om ondervraagd te worden. Trek je net een gek gezicht, zeggen honderd mensen op Twitter: wat heeft die een varkenskop.”

Je relativering en het feit dat je veel dingen onzin vindt, zorgen er wel voor dat…

„…je mijn kern niet te pakken krijgt.”

Inderdaad. Een vriendin van jou zei: ik heb er ook wel 32 jaar over gedaan om haar te leren kennen.

Sarcastisch: „Ja dat kan een aantal dingen betekenen. Of ik ben heel veelzijdig, een homo universalis. Of dit is wie ik ben.”

Maar herken je het?

„Ik herken het zeker. Ik hoor vaak van mensen: ik dacht dat jij zo gesloten was, chagrijnig, niet geïnteresseerd, maar je valt eigenlijk heel erg mee. Tja. Wat moet ik daarmee?

„Ik vind het ook raar van jullie allemaal. Dat jullie me moeten doorgronden of zo. Waarom? Ik kom hier heel aardig opdagen. Ik laat een voorstelling zien. Ik probeer echt een serieus gesprek te voeren. Dit is dus gewoon wie ik ben. Ik ben een keer gevraagd om mee te doen aan een artikel van Opzij eind jaren negentig. Het klonk wel oké. Maar toen ik werd gebeld ging die journaliste me allemaal vragen stellen over mijn lievelingsdingen. Ik vroeg op een gegeven moment: ‘Waar gaat dit heen? Al zou ik zeggen; mijn lievelingseten is pizza, wat ga je ermee doen?’ Ik heb uiteindelijk opgehangen. Ja, het is toch de Tina niet.”

Waarom?

„Kijk, ik hou er inderdaad niet van om mezelf vast te pinnen. Maar dan denk ik tegelijkertijd wel, nu heb je me dus. Dat ik geïrriteerd word door dit soort vragen, zegt wel echt wat over mij. Goed geïnterviewd worden is ook een sport. Sommige mensen laten zich naar de slachtbank leiden en geven gedwee antwoord en gaan dan weer weg.”

Met wat voor intentie ging je dit interview in?

„Oké, dan ga ik de beker maar helemaal leegdrinken. Ik wil ook dat mensen naar mijn voorstelling komen dus ik hoop dat ik leuk uit de verf kom. Ik ga volgende week [opname was eind februari] naar OP1. Dan denk ik vooraf: ik hoop dat ik grappig ben. Dat mensen denken, wat een leuke vrouw eigenlijk, ik ga kijken wanneer ze speelt. Ik ga er niet heen om politiek degelijke opmerkingen te maken. Laatst was ik op de radio bij Gijs 2.0 en hij vroeg: waar gaat je voorstelling over? Dat vind ik dan zo’n moeilijke vraag. Mijn voorstelling is een belevenis, met dans, liedjes, bewegingen, klanken en natuurlijk ook grappen, anders is het geen cabaret. Maar ja, hoe breng je dat over? Ik zit ook nog in het maakproces, dan kan ik nog zo slecht op mijn show reflecteren.”

Laat ik de vraag anders stellen: hoe wil je dat mensen de zaal verlaten?

„Als ik iets wil zeggen dan is het iets als. Nou. Je kan echt meer bewerkstelligen in je eigen leven dan je denkt. Je hoeft niet vast te zitten, misschien zeg ik meer tegen mezelf hoor, in de voorstelling, maar je kan… Kijk de structuren waarin we leven.” Stilte.

Komt er nog een werkwoord?

Lachend: „Jeetje. Ik denk dat je mij moeilijk kan grijpen omdat ik blijkbaar een hele voorstelling moet maken om te zeggen wat ik bedoel.”

Deze liedjes hoor je niet meer op de radio

Kleinkunst op de Radio De Annie M.G. Schmidtprijs, die deze zondag wordt uitgereikt, is in de theaterwereld een prestigieuze onderscheiding. Maar op de radio worden de bekroonde nummers amper gedraaid.

Kiki Schippers knalde vorig jaar tijdens de uitreiking van de Annie M.G. Schmidtprijs de zaal in met haar lied over vluchtelingen ‘Er spoelen mensen aan’. Het lied was volgens de jury „geheimzinnig, actueel, beeldend geschreven en indringend gezongen”. Ze won.

De keren dat Schippers daarna op de radio werd gedraaid? Bij NPO Radio 2 mocht ze een keer langskomen bij Spijkers met Koppen, ze zat bij Met het Oog Op Morgen op NPO Radio 1 en werd een enkele keer gedraaid op NPO Radio 5.

Dat is exemplarisch. Theaterliedjes worden nauwelijks nog op de radio geprogrammeerd – op commerciële radiozenders klinken voornamelijk Engelstalige popliedjes. NPO Radio 2 zond tien jaar geleden nog verschillende cabaretprogramma’s uit maar Het circus Jeroen Bosch en Ha! Die Yora verdwenen de afgelopen jaren van de zender. De programma’s Andermans Veren en Volgspot verhuisden in 2010 naar het minder goed beluisterde Radio 5 met luistercijfers van 3,5 procent. NPO Radio 2 heeft momenteel een aandeel van 13 procent.

Waarom verliezen theaterliedjes aan populariteit op de radio? Samensteller Basyl de Groot van NPO Radio 2 en Jan-Willem van Engelen, zendermanager van Radio 2 en 5, twijfelen. De Groot: „We denken niet in termen als ‘kleinkunst, jazz of hiphop’. De vraag is vooral: wat doet een lied met je? Neem bijvoorbeeld Jamai, die heeft een nieuwe Nederlandstalige plaat uit en daarop staat een liedje dat hij na een lange nacht, licht aangeschoten, heeft opgenomen. Het liedje is heel ingetogen en breekbaar, wij kregen er kippenvel van. Is dat kleinkunst?”

Over de term kleinkunst is discussie. Veel theatermakers definiëren het theaterlied als een lied met ‘betere teksten’ en ‘een verhalende structuur’. Maar een poëtisch liedje als ‘Dat ik je mis’ van Maaike Ouboter wordt ook vaak gezien als ‘kleinkunst’.

Ondanks de definitiediscussie zijn radiokenners het er wel over eens. Van Leo Blokhuis (popjournalist en radiopresentator), Jacques Klöters (radiopresentator en producer van Andermans Veren en voorzitter van de jury van de Annie M.G. Schmidtprijs), Ferry Roseboom (directeur van Excelsior Recordings een groot Nederlands platenlabel) tot Herbert Visser (de baas van 100% NL), ze beamen allemaal: het theaterlied wordt minder gedraaid.

Dat is zonde, vindt Klöters. „Als je nu luistert naar de liedjes uit de jaren zestig en zeventig dan hoor je welke onderwerpen speelden in ons land. Op de radio hoor ik nu vooral voorgekookte emoties en steeds harder en hoger zingende meisjes. Waar het over gaat, geen idee. Ik vind dat een verschrikkelijke ontwikkeling.”

In de jaren tachtig verloor kleinkunst volgens Klöters op de radio al aan populariteit. „Platenmaatschappijen kwamen in buitenlandse handen. Zij plugden geen Nederlandse liedjes meer maar buitenlandse hits. Kleinkunst is toen in een reservaat gedwongen. Waar het theaterlied eerst bij alle programma’s werd gedraaid, klonk het vanaf die tijd voornamelijk nog bij specifieke programma’s. Die zijn nu ook verdwenen.”

Nieuwe klank Radio 2

Kleinkunstartiesten balen vooral van het nieuwe beleid van NPO Radio 2. Die zender is veranderd van klank. Van Engelen: „Onze taak als publieke omroep is om alle leeftijdsgroepen te bedienen. NPO Radio 5 is de ouderenzender, 3FM de jongerenzender en NPO Radio 2 de familiezender. Dat liep te veel door elkaar. We hebben de zenders een sterker profiel gegeven waardoor programma’s zijn verhuisd.”

Samensteller De Groot: „Daarnaast is het een wereldwijde trend dat radiostations minder gespecialiseerde programma’s uitzenden. We hadden op 3FM een hiphop-programma, maar waarom zou je als je fan bent van hiphop wachten tot donderdagavond? Op internet staan genoeg playlists.”

Bij 100% NL domineert de Engelstalige popmuziek niet, maar ook daar worden nauwelijks theaterliedjes gedraaid. Visser: „Als commerciële radiozender moet je reclame-inkomsten genereren om te kunnen bestaan. De mediabureaus die de reclamegelden verdelen, plannen op de doelgroep van twintig tot en met vijftig jaar oud. Als we een liedje beluisteren en we hebben het idee dat dat nummer niet gewaardeerd wordt door die doelgroep, dan komt het niet op de playlist.”

De argumentatie van de radiobazen frustreert cabaretière Kiki Schippers. „Ze zeggen eigenlijk dat theaterliedjes niet toegankelijk zijn voor het grote publiek en dat vooral bejaarden ervan houden. Onzin. Er zijn echt genoeg luisteraars die liedjes waarderen die verder gaan dan ‘ik hou van jou want je ogen zijn zo blauw’. Maar hoe komen die mensen in aanraking met dat soort muziek? Zij moeten eerst 20 euro betalen voor een vaak nog onbekende artiest die bij hen in het theater staat. Radio is laagdrempeliger.”

Volgens Schippers is het een kip-ei-probleem. „Als je nooit naar Bulgaarse koren luistert en Radio 2 start opeens een stuk in, zullen mensen zich ook rot schrikken. Maar een poos geleden waren die koren juist hartstikke hip. Had niets te maken met goede of slechte muziek, alleen met wat in de mode is. Ik denk vooral dat kleinkunst een imagoprobleem heeft. Velen denken bij hedendaagse kleinkunst aan Wim Sonneveld, maar dan loop je hopeloos achter.”

Samensteller De Groot denkt dat radio steeds meer een achtergrondmedium is geworden. „Theaterliedjes komen het beste tot hun recht in het theater, waar je een publiek hebt dat aandachtig luistert. Als artiesten komen pluggen, zeggen ze vaak: dat liedje doet het zo goed live. Maar wat live goed werkt, is vaak niet geschikt voor de radio. Wat ook meespeelt: de ballad heeft het moeilijk. Radio moet vrolijk en energiek klinken. Ballads passen daar minder in. Theaterliedjes zijn vaak ballads.”

Bij 100% NL programmeren ze muziek die je kunt opzetten als je ‘bijvoorbeeld op een ladder staat te verven’. Volgens Visser moet de productie van liedjes daarom gelikt zijn. Visser: „Als je voor de radio muziek maakt, moet het goed klinken door wat boxen. Met een toetsenist, zangeres en gitarist ben je er niet. Liedjes produceren is een vak.”

Dat is volgens cabaretière Mylou Frencken, genomineerd voor de Annie M.G. Schmidtprijs van dit jaar, „wel een gedoetje”. Uit frustratie over de teloorgang van het genre op de radio maakte ze vorig jaar het boek Leven in het lied, waar ze haar liefde uitspreekt voor het ‘betere Nederlandstalige lied’. Ze interviewde voor het boek 25 collega’s. Daaruit bleek ook dat kleinkunstenaars het niet echt breed hebben. „Mijn laatste cd is van zes jaar geleden en die kostte 8.000 euro. Ik kan dat niet zomaar nog een keer betalen.”

Kiki Schippers schudt haar hoofd: „Dus een goede productie zou de sleutel zijn tot gedraaid worden op 100% NL? Dat geloof ik niet. Ik heb een aantal keer een cd gemaakt met echt goede producers en muzikanten. Toch word ik niet gedraaid. Ik wil niet als een zeurpiet klinken, maar ik heb het niet alleen over mijzelf. Ook andere artiesten die echt mooie dingen maken, hoor ik niet.”

Taak publieke omroep

De maatschappelijke functie van de Publieke Omroep ligt voor de televisie strak vast, in de Mediawet staat dat de NPO verplicht tijd moet besteden aan informatie, cultuur en educatie. In diezelfde Mediawet staat niets over het verplicht afspelen van specifieke genres op de radio. Zou dat moeten?

„Ja”, zegt Kiki Schippers. Ze zou graag zien dat NPO Radio 2 quota krijgt, geïnspireerd op de Vlaamse publieke omroep. Radio 2 is daar verplicht 30 procent van de tijd Nederlandstalige muziek uit te zenden. Bij Radio 1 is dat 15 procent. „Daar hoor je veel gevarieerdere Nederlandstalige muziek. Van Nederlandstalige hiphop tot kleinkunst.”

Uit onderzoek van NRC aan de hand van de playlist van NPO Radio 2 op internet, blijkt dat de zender in heel 2017 tussen zes uur ’s ochtends en 10 uur ’s avonds rond de 5 procent Nederlandstalige liedjes heeft gedraaid. Opvallend is dat 6 procent van alle Nederlandstalige nummers wordt gezongen door vrouwen. Minder dan een half procent van alle muziek op NPO Radio 2 komt dus van Nederlandstalige zangeressen.

NPO Radio 2 ziet niets in overheidsquota. Van Engelen: „We streven er zelf naar dat 25 procent van al onze muziek komt van Nederlandse artiesten. We draaien Tim Knol, Blaudzun, Chef’Special en Ilse DeLange en steunen ook acts als Johan, Wende en Judy Blank. Die hoor je echt niet snel elders. Maar we willen ook relevant zijn door als brede zender een groot publiek te bereiken. Als onze doelgroep veel behoefte zou hebben aan kleinkunst, zouden we dat direct meer programmeren, maar zoveel vraag is er niet naar.”

Voor de artiest die volgend weekend de Annie M.G. Schmidtprijs wint, zit grijs gedraaid worden op de radio er waarschijnlijk niet in. De winnaar krijgt wel het prijzengeld van 3.500 euro. Geld dat voorgangers vaak in een cd staken. Maar zo’n album zal waarschijnlijk vooral hun fans bereiken. De tijd dat theaterliedjes veelvuldig werden geprogrammeerd op de radio is voorbij.

Hoe word ik grappig?

Wie aan stand-upcomedy wil doen kan op les gaan. „Grappen schrijven kan je trainen.”

Het is april 2018 en ik sta op een podium. Een groep van tien onbekenden bekijkt me van top tot teen. „Je bent denk ik vegetariër”, „Jij eet van die vieze maar gezonde ontbijtjes met bessen enzo”, „Je houdt van cultuur”, „Je hebt een vriend maar je bent niet getrouwd”, „Je bent een renchick”, „Je woont in Hilversum ofzo.”

Ik ben totaal verbaasd, de eerste indruk die zij van mij hebben klopt bijna helemaal. ’s Ochtends maak ik inderdaad met amandelmelk en boekweitvlokken een ontbijt dat zo stevig is dat je er ook een muurtje mee zou kunnen metselen. Ik heb fanatiek aan atletiek gedaan. Dieren eet ik niet meer sinds mijn vijftiende. Trouwen ga ik niet, al woon ik al jaren samen. Ik schrijf voor de cultuurredactie van NRC. Enige fout: ik woon niet in Hilversum, wel in Heemstede. Net zo wit, net zo rijk, net zoveel mensen lid van de hockeyclub.

Het is de eerste oefening van de comedycursus van Roel C. Verburg, gitaarkomiek en stand-upcomedian bij het Amsterdamse Comedy Cafe, waar ik aan meedoe. Ik wil grappig worden, maar ja, hoe doe je dat? De cursus zit al jarenlang elk kwartaal helemaal vol. De deelnemers, onder wie verplegers, engineers en socialemediaconsultants, willen niet allemaal net als ik op het podium staan, maar wel graag leren hoe ze grappig kunnen worden. Ook veel nieuwe bekende namen in de comedyscene begonnen bij Verburg, zoals Kasper van der Laan, winnaar van de publieksprijs van het Leids Cabaret Festival 2018, en Tex de Wit, schrijver bij Zondag met Lubach. Verburg: „Ik pretendeer niet dat je meteen comedian wordt met uitverkochte zalen”, zegt Verburg, „ik kan mensen niet grappig maken, alleen wel grappiger.”

De eerste oefening over de eerste indruk is belangrijk, legt hij uit. „Als iemand die heel dik is zegt ‘ik moet op dieet’, dan kunnen mensen lachen uit herkenning. Als iemand heel dun is en dat zegt , weet je dat de grap ironisch is bedoeld. Maar ik had een comedy-collega die niet heel dik was en die zei dat hij op dieet moest. Je hoorde het publiek denken: is dat zo? Huh? En dan werkt je grap dus niet.”

Toch wordt het belang van die eerste oefening veel comedians pas na veel optredens duidelijk. Mij ook. Wel meteen toepasbaar is de definitie van een grap: een doorgaans logisch maar onverwacht vervolg. Of de tip dat het belangrijkste woord in een grap altijd aan het einde van de zin moet.

Mindmappen en associëren

Verburg raadt aan om te gaan mindmappen, associaties zijn enorm belangrijk voor grappen. „Vooral voor een onderwerp dat je boeit of dat jou typeert.” Ik denk na over mijn hobby’s en weet meteen welk woord ik op mijn kladblok moet schrijven: klimaatverandering. Ik maak lijntjes met Shell, olie, CO2, smeltende ijskappen, ijsberen, gas, Groningers, Freek de Jonge. Hilarische onderwerpen voor comedy natuurlijk.

Even daarvoor heeft Verburg een aantal woorden opgeschreven: zelfspot, vergelijking, tegenstelling, projectie, typetje, herkenning, afzeiken, de waarheid, vergroting, 1-2-3’tje, understatement: grapvormen waar je je associaties in kunt gieten. Verburg: „Als ik nu een grap wil maken, pak ik deze lijst er natuurlijk niet meer bij. Heel af en toe denk ik nog: deze grap werkt niet, moet ik de vorm veranderen? Laatst had ik een 1-2-3’tje bedacht. Ik had: sommige mensen geven fooi in een café, anderen in een restaurant en ik geef fooi in een bank. Dat werkte niet. De vergelijking die ik daarna maakte werkte ook niet. En toen dacht ik, ik moet gewoon zeggen wat het is: ik geef graag fooi aan mensen die nooit fooi krijgen, ik geef bijvoorbeeld fooi in een bank. Dat werkte wel, de gedachte zelf is al een onlogisch vervolg.”

Jasper van der Veen won dit jaar het Leids Cabaret Festival. Hij volgde niet de hele cursus bij Verburg maar wel een paar lessen: „Die brachten techniek in het warrige verhaal dat ik als beginnend comedian aan het vertellen was.” Ook Gerthein Boersma, redacteur bij Dit Was Het Nieuws en oud-schrijver bij Zondag met Lubach, kreeg les van Verburg: „Het was superfijn, maar daarna begon het echte werk.” Een van de uitdagingen voor comedians is puzzelen met de kloof, het verschil tussen de opbouw van een grap en de inkopper. Boersma: „Die kloof moet niet te klein zijn, anders is de clou niet onverwacht. Maar ook niet te groot, want dan moet het publiek zelf te grote stappen maken. En soms is het ook leuk als niet iedereen je grap begrijpt. Ik had ooit deze: ‘Roel van Velzen heeft gezegd dat het leven net is als een rollercoaster. Maar hoe weet hij dat nou?’ Vaak lachte maar de helft. Als ik in een gulle bui was legde ik uiteindelijk uit dat Van Velzen niet in achtbanen mag. Dan lachte de andere helft.”

De weken na de theorieles gaan we met z’n allen spuien, verfijnen, schrappen en voor elkaar optreden . Ik schrijf dingen op die ik opvallend vind: Groningers die koken op gas, of dat ik om milieuredenen liever niet in een vliegtuig zit en daarom mijn schoonouders uit Portugal maar hiernaartoe laat komen. Na tien weken mag ik tien minuten optreden. Het publiek lacht hard. Op dat moment weet ik één ding zeker: ik ben echt absurd grappig.

Ik mag vaker spelen. Bijvoorbeeld begin december 2018 in een dorpscafé in Wijdenes, een dorpje vlakbij Hoorn met 1.300 inwoners. Ik begin weer voortvarend met mijn klimaatgrappen. Aan de bar zit een man met klompen aan. Hij draait zich na de eerste opmerking hoofdschuddend om. De zaal is voor de rest doodstil. Ik denk alleen maar: wat doe ik hier? Hoezo dacht ik dat ik grappig zou kunnen zijn? Waarom zit ik niet in mijn onesie thuis op de bank de herhaling van Heel Holland Bakt te kijken?

Grappig zijn is meer dan grappen schieten

Ik leerde die avond in december op een vrij pijnlijke manier: grappig zijn is meer dan grappen schieten. „Grappen schrijven is een bepaalde manier van denken en dat kan je goed trainen”, vertelt de Nederlandse hoogleraar cultuursociologie Giselinde Kuipers die sinds kort werkt aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ze deed jarenlang onderzoek naar humor. „Maar grappig zijn is eigenlijk een recept waarbij je verschillende ingrediënten moet doseren. Heel belangrijk is dat een comedian de zaal goed aanvoelt. Maak verbinding en reageer op de signalen van het publiek. Je zegt eigenlijk: ik ga met jou mijn wereldbeeld delen en ik hoop dat je meegaat. Maar je moet continu checken of ze wel mee zijn.” Een grap heeft ook altijd iets grensoverschrijdends. „Het is wel zoeken naar een balans. Als je meteen losgaat, kan het publiek denken: wat is dit voor hufter? En over sommige groepen mag je hardere grappen maken dan over andere.” Waarom? Door ingrediënt nummer drie: „Humor haalt dingen omlaag. Als je grappen maakt over mensen die een zwakkere positie hebben in de maatschappij kan het publiek denken: dit vind ik niet meer grappig. Maar mensen vinden het juist wel grappig als je machthebbers uitdaagt.” Kuipers: „Ten slotte moet je iets met je uiterlijk of met je stem doen waardoor mensen begrijpen dat je niet serieus bent. Maar dat verschilt ook per opleidingsniveau van het publiek.”

Ik denk terug aan mijn avond in Wijdenes en er vallen kwartjes. Ik vermoed dat het dorp met meer koeien dan inwoners mij bij mijn eerste zin al kwijt was: „Hallo ik ben Anouk, ik ben een idealist en ik eet geen vlees.” Ik ben na die realisatie in de war, betekent dit dat ik mijn materiaal dan moet aanpassen aan het publiek?

„Nee”, zegt Van der Veen. „Comedy wordt juist interessanter als je je eigen verhaal vertelt. Ik heb een beetje idealeschoonzoonuitstraling en mijn optredens gingen daarom nooit fout, mensen moesten altijd wel lachen. Maar bij mij ging nooit het dak eraf. Ik heb nu geleerd om nog persoonlijker te worden en daarmee ook grensoverschrijdender. Dat betekent dat mensen mij soms echt niet trekken. En ja, ik moet daarom harder werken om hen voor me te winnen. Maar als dat nu lukt, lachen ze zoveel harder.” Hij schrijft zijn materiaal ook anders. „Vroeger ging ik in een café zitten, keek ik om me heen, zag een lamp hangen en dacht ik: wat zou het publiek daar grappig aan vinden? Nu denk ik: wat wil ik zeggen?”

Je eigen verhaal mengen met het beeld dat andere mensen van je krijgen, is dat wat een goede comedian doet? Ik denk na over mijn eigen persoonlijkheid. Ik ben een veel te fanatieke, dunne veganist die vrij streng is voor zichzelf en voor de mensen om zich heen. Dat moralisme vinden sommige mensen in het publiek natuurlijk superfrustrerend. Ik besluit de frustratie die ik opwek te gebruiken in mijn optreden. Het publiek lacht direct om mijn nieuwe introductie. Even denk ik weer dat ik het heb begrepen.

Maar dat kan ik wel vergeten, lacht Van der Veen. „Uiteindelijk heb ik ook weer veel losgelaten van wat mensen adviseerden: iedereen is namelijk op zijn eigen manier grappig. Als comedian moet je om beter te worden de hele tijd dingen uitproberen waar het publiek niet altijd meteen goed op reageert. En als je een aantal goede avonden hebt gehad en denkt dat je eindelijk begrijpt hoe comedy werkt, gaat het de volgende keer weer helemaal mis.”

Hoezo zijn vrouwen niet grappig?

Een nieuwe lichting vrouwelijke cabaretiers stuit nog op het vooroordeel dat vrouwen geen humor hebben.

Als cabaretier Anne Neuteboom (28) naar de kapper gaat, verzint ze vaak een excuusberoep. „Ik vind het moeilijk om te zeggen dat ik cabaretier ben. Mensen vragen: ‘Vertel eens een grap’. Of ik hoor: ‘Echt? Ik vind vrouwen niet grappig’.”

Maya van As (27) werd feminist op het podium. Te vaak kreeg ze een seksistische opmerking naar haar hoofd na haar voorstelling. „Ik deed een keer mee aan een improvisatie-uitvoering. Aan het einde kwam er een man naar me toe die in mijn wangen kneep en zei: ‘Nou je hield je goed staande tussen die mannen hè’. Ik stond perplex.”

Eva Crutzen (30) krijgt na bijna elke voorstelling ‘een drol in de vorm van een compliment’. „Dan komt er iemand naar me toe die zegt: ‘Ik vind vrouwen niet grappig’. Om daaraan toe te voegen: ‘Maar jou wel’.”

Een nieuwe generatie jonge vrouwelijke cabaretiers bestormt sinds een paar jaar het cabaretpodium. Ze treden in het spoor van een bescheiden groep vrouwelijke cabaretiers die doorbrak naar een groot publiek, onder wie Brigitte Kaandorp, Lenette van Dongen, Claudia de Breij, Sara Kroos, Sanne Wallis de Vries en Paulien Cornelisse. De nieuwe lichting is geboren in de jaren 80 en 90 en vaak opgegroeid met andere rollenpatronen dan de generatie daarvoor. Ze merken echter dat een deel van het publiek vasthoudt aan een onuitroeibare overtuiging: vrouwen zijn niet grappig.

Van As: „Ik ben door mijn ouders opgevoed met de gedachte dat het niet uitmaakt of ik man of vrouw ben, maar ik merkte na een optreden dat ik op mijn vrouwelijkheid werd beoordeeld, niet alleen op mijn grappen. Kijk het is hier geen Saoedi-Arabië, ik denk dat ik evenveel kansen krijg van theaters en impresariaten als mijn mannelijke collega’s, maar het is een soort sluimerende overtuiging die invloed heeft op het publiek en die zich uit in seksistische opmerkingen achteraf. Ik heb daarom het idee dat ik harder mijn best moet doen om het publiek voor me te winnen.”

1-0 achter

Giselinde Kuipers is cultuursocioloog aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in diverse landen onderzoek gedaan naar humor en was jarenlang hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift HUMOR. Volgens haar belemmert de overtuiging van het publiek vrouwen op het podium. „Vrouwen staan onbewust 1-0 achter. Humor is immers een afspraak. Als publiek moet je een besluit nemen voordat je de zaal in gaat: alles wat nu wordt gezegd, wil ik leuk vinden. Negatieve overtuigingen over vrouwen en humor zorgen ervoor dat het publiek onbewust minder enthousiast reageert.”

Feit is dat vrouwen minder vaak hun brood verdienen met grappen maken op een podium. Dit seizoen telt cabaretwebsite Zwarte Kat vier keer zoveel mannen als vrouwen op het cabaretpodium: 24 vrouwelijke acts tegenover 92 mannelijke; naast 6 gemengde groepen. Een vergelijkbare verdeling vertonen de drie grote cabaretfestivals: bij het Amsterdam Kleinkunst Festival, Leids Cabaret Festival en Cameretten, gaan vrouwen er veel minder vaak met de winst vandoor. Terwijl cabaretcarrières vaak daar beginnen.

Hoe kan dat? Volgens evolutionair psycholoog Gill Greengross van de Universiteit van Wales blijkt uit zijn onderzoek dat grappen van vrouwen minder gewaardeerd worden. „We hebben onderzoek gedaan waarbij mannen en vrouwen anoniem grappen op moesten schrijven en die lieten we lezen aan proefpersonen. Wat bleek? De grappen van mannen werden leuker gevonden.”

Zijn verklaring is evolutionair. „Het is belangrijk voor mannen om grappen te maken. Humor is onbewust gerelateerd aan voortplanting. Vrouwen zijn kieskeurig in het uitzoeken van hun partner, omdat ze een man willen die goed voor het nageslacht zorgt. Voor vrouwen is het daarom belangrijk dat ze een intelligente man kiezen. Uit onderzoek blijkt dat humor een goede graadmeter is voor iemands intelligentie. Kort door de bocht is de conclusie: mannen maken grappen, vrouwen lachen daarom.” Giselinde Kuipers kent de cijfers. „Sociologen, antropologen en taalkundigen doen regelmatig onderzoek naar gesprekken uit het dagelijks leven. Daaruit concluderen ze dat in veel interacties vaker om mannen wordt gelachen dan om vrouwen.’’

Maar Kuipers heeft moeite met de verklaring van Greengross. „We lachen sowieso minder om vrouwen, ondanks het niveau van de grap.” Daarnaast leren vrouwen niet om grappig te zijn. „Dat mannen grappen maken en vrouwen lachen is iets wat we geloven, en daarom wordt het waar.” En er is nieuw onderzoek dat uitwijst dat de verschillen minder sterk worden. „In enkele studies uit Australië en Nieuw-Zeeland vonden de onderzoekers dat om de grappen van vrouwen vaker gelachen wordt.”

Machtsgreep

Humor heeft ook te maken met macht. Kuipers: „Het maken van een grap is een soort machtsgreep. Het is een vrij dwingende manier van jezelf presenteren. Veel onderzoek laat zien dat we sneller lachen om mensen die we meer macht toekennen. Zo lachen we eerder om de grap van de baas dan om die van een collega. En in veel samenlevingen hebben vrouwen een lagere status.”

Een obstakel is ook dat we graag lachen om grappen die grof zijn. Kuipers: „Veel humor is grensoverschrijdend en taboedoorbrekend en dat zien wij niet als ‘vrouwelijk’.” Vrouwen moeten die weerstand overwinnen. „Van vrouwen wordt verwacht dat ze lief en mooi zijn en dat ze morele grenzen bewaken. Dus mannen worden beloond om grappig te zijn, terwijl vrouwen er onbewust een beetje op worden aangekeken. Dan moet je als vrouw wel heel graag deze kwaliteit willen ontwikkelen.”

Van As herkent de redenering. Na een voorstelling kwam een keer man naar haar toe. „Hij zei: ‘Wat was je grof voor een meisje. Terwijl je zo mooi bent. Wat zonde’.” Ze schrok ervan. „Dat verrast mensen. Vroeger werd humor vaak gekoppeld aan lelijkheid. Komisch zijn was gekke bekken trekken of mensen een podium geven die afweken van het schoonheidsideaal.”

Grof zijn, is dus niet ‘vrouwelijk’. Paradoxaal wordt vrouwelijke cabaretiers verweten te zachte grappen te maken, legt Van As uit. „Mensen hebben het vaak over ‘vrouwencabaret’. Ik vroeg ooit aan iemand wat hij daarmee bedoelde. Hij zei: ‘Oppervlakkig en inhoudsloos cabaret’. Dus als vrouwen slecht cabaret maken, heet het vrouwencabaret. Als mannen slecht cabaret maken, vinden mensen het gewoon slecht.”

Crutzen: „Ik snap wel waar het vandaan komt. Ik vond ook dat er een periode was waarin veel vrouwelijke cabaretiers op het podium stonden met zeikonderwerpen. Vrouwelijke kwaaltjes en gedoe. Maar dat is allang niet meer. Cabaretiers als Brigitte Kaandorp, Louise Korthals en Martine Sandifort praten over de grote thema’s van het leven: liefde, dood, loslaten, eenzaamheid. Zeggen dat vrouwencabaret oppervlakkig en inhoudsloos is, is dom en generaliserend. Ik begrijp eigenlijk niet dat ik dat uit moet leggen.”

De drie denken dat de kijk op vrouwelijke cabaretiers zal veranderen nu er steeds meer vrouwen het podium op klimmen. Crutzen: „Het is een natuurlijk proces. Dat zorgt ervoor dat jonge meiden meer inspiratiebronnen hebben en er sneller voor kiezen cabaretier te worden. Mensen leren vanzelf dat er niet zoiets bestaat als ‘de vrouwelijke cabaretier’.”

Glennis Grace uit de Jordaan, een wereldster in wording

Ze zingt als Whitney Houston, en juist dat valt in de smaak bij de kijkers van America’s Got Talent. Volgende week staat de Nederlandse Glennis Grace in de finale.

Niet veel zangeressen kunnen zo krachtig, loepzuiver en warm een hoge E zingen als Glennis Grace avond aan avond doet. Sommigen lukt het na jaren zangles, al klinkt het dan vaak toch nog scherp en dun.

Een zangcoach had Grace – de Nederlandse zangeres die dinsdag meedoet in de kwartfinales van de populaire talentenjacht America’s Got Talent – nooit, haar stemtraining kwam uit speakers. Op de bovenste etage van haar ouderlijk huis in de Jordaan, schalden de liedjes van Whitney Houston door de kamer. Ze bleef net zo lang oefenen tot ze de noten te pakken had. „Ik zong niet expres bij het raam, maar soms keek ik even naar beneden en dan stonden er altijd mensen te luisteren”, vertelde ze vorig jaar in het RTL-programma Chantal blijft slapen.

Whitney Houston zou een rode draad worden in haar leven. Met het repertoire van de overleden diva zong ze voor het eerst voor publiek op de bruiloft van juf Astrid, excelleerde ze als zestienjarige bij De Soundmixshow en oogstte ze deze zomer een staande ovatie bij haar auditie voor America’s Got Talent.

Ze heeft het nooit erg gevonden met Houston te worden vergeleken. „Zij is ‘The voice’”, zegt ze in veel interviews. Toch heeft ze in haar carrière van veel mensen uit het vak het advies gekregen haar idool van zich af te schudden. Vooral na het winnen van De Soundmixhow zat het haar in de weg, vertelt producer Tjeerd Oosterhuis. „Haar stem leek vroeger al zo op die van Whitney. Dan denken sommige mensen al snel dat je haar nadoet.” Oosterhuis kent en volgt Grace al bijna twintig jaar, ook in de tijd dat ze moest knokken voor een plek in de muziekwereld.

Mercedes verkocht

Na De Soundmixshow trad ze veel op in het land. Haar toenmalige manager John van Katwijk verkocht volgens De Telegraaf zijn Mercedes zodat Grace een cd op kon nemen. Maar succes bleef uit. Toen belde het Songfestival, vertelt ze in 2005 aan De Telegraaf. „Ik stond net op het punt om te gaan solliciteren bij een supermarkt, dus wat had ik te verliezen? Niets!” Maar na haar optreden in de halve finale met My Impossible Dream gebeurde er alsnog niets.

Tot in 2010 Jitze de Raaff haar manager werd. „We hebben een aantal dingen aangepakt. Allereerst nieuwe producers gezocht die een naam hadden in de muziekwereld: Fluitsma & Van Tijn”, vertelt hij. „We hebben ook haar uiterlijk veranderd. Glennis kreeg een haarsponsor waar ze om de week een nieuw kapsel uit kon zoeken en ze ging daarnaast bijzondere kleding dragen, vaak met meer kleur. Van meisje werd ze artiest.”

De publiciteit moest weer op gang komen, vertelt De Raaff. „Ik heb elke maand aan het blad Linda gevraagd of ze een keer op een spread mocht staan. In het najaar van 2010 werden we gebeld, er viel iemand uit voor het kerstnummer, of Glennis mee wilde doen met de shoot. We hebben meteen ‘ja’ gezegd. Iedereen heeft toen kunnen zien dat ze niet alleen prachtig kan zingen, maar ook een heel mooie vrouw is. Dat is belangrijk. Mannen vonden haar een lekker wijf, vrouwen vroegen waar haar kleding vandaan kwam.”

In die tijd hoorde De Raaff dat de TROS vrouwen zocht voor het programma Beste Zangers. Haar deelname daaraan betekende een ommekeer. Grace zong het liedje Afscheid van Xander de Buisonjé en scoorde een nummer 1-hit. „Vóór dat programma had ze relatief weinig succes, er waren al genoeg Engelstalige zangeressen”, zegt De Raaff. „Nederlandstalig maakte haar op dat moment uniek en daarmee hadden we meer kans om te scoren.”

Nederlandse roots

Maar haar dromen waren groter. Amerika lonkte, toen al. „Ze (mijn managers) wilden een vrouwelijke Marco Borsato van me maken en dat ik alleen nog maar Nederlandstalig zou zingen”, zei Grace in het AD in 2015. „[…] Maar ik schrijf beter in het Engels, ondanks mijn Nederlandse roots. En ik concentreer me toch graag op mijn eigen liedjes.” Grace en haar managers gingen na zo’n acht jaar in goede harmonie uit elkaar.

Glennis Grace is gedisciplineerd, ambitieus en gedreven, zeggen haar vrienden. Xander de Buisonjé: „Ze is echt een ongelooflijke vechter. Dat merk je zelfs als ze zingt. Elke toon krijgt passie en vechtlust.’’ De Buisonjé heeft veel respect voor haar Amerikaanse droom. „Ik denk dat ik dat niet zou kunnen, de hele tijd die plas over als je thuis een kind hebt. Dat tekent haar ambitie. Maar haar zoontje [van 11, red.] support haar heel erg.”

Tjeerd Oosterhuis: „Velen vroegen zich af waarom zo’n ervaren zangeres nog aan America’s Got Talent deelneemt. Maar dat is het mooie van Glennis, ze wil voor een zo groot mogelijk publiek zingen en gelooft ook dat ze dat kan. En kijk nou, ze flikt het gewoon met haar plek in de liveshows. Het verbaast me niet, ze is zo goed en heeft daarnaast een Amerikaanse uitstraling.”

‘On-Nederlands’, noemen ook vrienden uit de muziekindustrie haar optredens. Niet alleen door haar stem, ook door haar allure. In Nederland wringt dat soms. In Chantal blijft slapen is Grace te zien bij een optreden op een feestweek in Brabant. Met haar hoge hakken, mooie jurk en loepzuivere uithalen staat ze in een witte plastic biertent. Dronken mensen dansen in de zaal.

Sinds De Soundmixshow in 1994 is haar stem minder scherp geworden. Ze klinkt rustiger, meer ontspannen. De Raaff: „En ze zingt met meer emotie. Aan het begin van haar carrière kreeg ze wel eens te horen dat ze vooral technisch goed zong. Nu ze ouder is geworden, een kind heeft gekregen en het nodige heeft meegemaakt in de liefde, hoor je hoe goed ze zich inleeft.”

Ladies of Soul

Grace is altijd nummers van Whitney Houston blijven zingen. Zelfs op haar voornamelijk Nederlandstalige platen van een paar jaar geleden staan enkele Engelstalige Houston-covers. Vorig jaar zong ze bij de gelegenheidsformatie Ladies of Soul en ging ze viral met de Whitney Houston-klassieker ‘Run To You’. Ze had net besloten serieus werk te gaan maken van een Amerikaanse carrière, toen het balletje opeens vanzelf ging rollen. Ze kwam in contact met de music director van superster Justin Bieber en nam in Atlanta al een aantal liedjes op.

Volgens velen in de muziekindustrie staat niets haar in de weg om een wereldster te worden. Het is nu een kwestie van goede mensen bij elkaar zoeken die mooie hits voor haar kunnen schrijven en de marketing op gang kunnen krijgen, denkt De Buisonjé: „Anders heb ik nog wel een Engelse versie van Afscheid liggen.” Hij lacht hard.

Tjeerd Oosterhuis: „Het is heel goed dat ze nooit echt heeft geluisterd naar het advies om Whitney te laten vallen. Want juist die liedjes hebben eraan bijgedragen dat zij bekend is geworden in Amerika. Glennis is eigenwijs gebleven. Gelukkig maar.”

‘Ik deed met mijn grappen ook andere Nederlandse Marokkanen tekort’

Leraar Ismail Aghzanay (28), docent Engels, stond vorig jaar als cabaretier in de finale van Cameretten. Maar hij stopte met optreden. „Ik twijfelde over het verhaal dat ik op het podium vertelde.”

Dit artikel had eigenlijk een andere kop, een heel ander begin, andere citaten en een andere conclusie. Het zou gaan over Ismail Aghzanay die als cabaretier in de finale van Cameretten stond, met een voorstelling die hij onder de duonaam Waterkonijnen maakte met Musa Abdulwahab. Die voorstelling ging over het missen van affectie van zijn vader. Hij zei daarover in het interview: „De Marokkaanse cultuur is een machocultuur. Je bent harder, toont niet je gevoelens, niet je kwetsbaarheid. En je hangt helemaal de vuile was niet buiten. Dat deden mijn ouders dus ook niet.”

We bespraken ook hoe dat psychologisch heeft doorgewerkt in zijn leven. Aghzanay werd een leraar die heel veel tijd en liefde in zijn leerlingen stopt. Zijn populariteit onder de vmbo-leerlingen van het Rotterdam Designcollege leverde hem eind 2018 de titel ‘Leraar van het jaar van Rotterdam’ op. Als theatermaker kreeg hij daarnaast een contract bij een impresariaat.

Maar vlak na het interview stopte Aghzanay als cabaretier. Hij twijfelde over het verhaal dat hij op het podium vertelde. Het was niet onwaar, maar wel dik aangezet en juist met die overdrijving had hij problemen. „Het beeld in Nederland van Marokkaanse vaders is dat ze heel streng zijn en mijn collega en ik gebruikten dat. Onze vaders waren in de voorstelling ook heel hard, zodat mensen met ons konden lachen. Zo deden we alsof we nooit liefde of goedkeuring van hen kregen. Maar ik deed mijn vader daar eigenlijk mee tekort. Op een gegeven moment dacht ik, wacht eens even, maak ik die grappen over een strenge vader alleen voor de lach? Ik vond de grappen zelf eigenlijk veel te stereotyperend en misschien zelfs wel discriminerend”, legt hij in een telefoongesprek uit.

Het was maar een kant van het verhaal. „Thuis waren we met zijn zevenen. Mijn jongste zusje zat in een rolstoel en mijn ouders konden haar niet de juiste zorg geven. Ze zijn analfabeet, kunnen niet lezen en daarom was het voor hen extra lastig om goed voor mijn zusje te zorgen. Om die reden hebben mijn ouders ermee ingestemd om haar over te plaatsen naar een woongroep voor kinderen met een beperking. Ze gingen bijna elke dag naar haar toe, misten haar enorm. In zo’n gezin kan je niet verwachten dat je altijd veel aandacht krijgt, die moet verdeeld worden. Ik geef hun niet de schuld, zo was het gewoon.

„Maar mijn vader toonde ook echt wel zijn liefde. Toen ik leraar van het jaar werd zei hij tegen iedereen: ‘Mijn zoon, ik ben trots op hem, hij is leraar van het jaar.’ En hij wilde altijd dat we mooie kleren en mooie schoenen hadden. Daarnaast voetbalde ik in de jeugd bij Feyenoord en hij bracht me elke training. Dan zaten we naast elkaar in de auto en vroeg hij: ‘Alles goed?’ ‘Ja alles goed pa, met jou?’ En dan kwam hij met: ‘Doe je best jongen, wees respectvol naar je trainer.’ Vervolgens viel het gesprek wel dood, praten was niet zijn sterkste kant, maar met dat soort gebaren kon je zien dat hij van ons hield. Hij zei het alleen nooit zo letterlijk.”

Aghzanay twijfelde. Waren er andere manieren om zijn verhaal te vertellen dan stereotyperende teksten? „Maar ik denk niet dat dat in het cabaretgenre kan. Bij cabaret gebruik je zelfspot om de lach op te roepen, en je speelt met het beeld dat mensen van jou hebben. Alles vergroot je uit, maar daardoor kom je als Marokkaanse cabaretier veel sneller bij stereotyperende grapjes uit. Ik deed overigens niet alleen mijn vader tekort, ook andere Nederlandse Marokkanen.”

Het botste met zijn levensfilosofie. Jaren geleden gaf hij zichzelf een opdracht: verbinden. Juist daarom was hij op zoek naar een podium. Dat hij graag liefdevolle boodschappen wil verkondigen, is te horen in hoe hij praat. Aghzanay praat in tegeltjes. ‘Geen enkel kind is geboren met haat, haat is aangeleerd.’ ‘Je moet geloven in jezelf, dan kan je alles bereiken.’ ‘Bestrijd negativiteit met positiviteit.’

Het zijn voor hem nieuwe inzichten, als tiener was hij juist een rebel „Ik was geen leuke puber. Ik ging om met mensen die de verkeerde kant op zijn gegaan. Niet qua criminaliteit hoor, maar de ene blowde de hele tijd, de andere dronk te veel en een aantal stopte met school. Waarom? We voelden ons niet gewenst in Nederland, we hadden te maken met racisme. Elke dag hoorde een van ons wel eens: ‘Kutmarokkaan, flikker op naar je eigen land’. Onder die jongens was de sfeer van: we wonen hier wel, maar ze moeten ons niet.”

Ook op school was hij vervelend. „Ik begon te vloeken. Veel docenten werden dan boos. Ik moest op een gegeven moment naar het speciaal onderwijs. Daar werd het eigenlijk alleen nog maar erger.”

Hij bleef jarenlang de driftkikker, totdat hij op een gegeven moment als tiener meedeed aan de ramadan. „Dat is een tijd van introspectie. Een tijd om jezelf spiritueel te reinigen: elke dag naar de moskee, niet eten overdag. Ik voelde me zo goed in die periode. Veel positiever, veel vrolijker, ook tegenover anderen. Ik ging naar mensen glimlachen, zij glimlachten terug. Dat heeft echt iets in mij veranderd.”

De ervaring maakte hem religieuzer en toleranter. „Het is fijn om vriendelijk te zijn, daar word je veel gelukkiger van. Er is een vers in de Koran dat gaat over barmhartigheid: Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar leren kennen. Daarnaast staat er ergens in de Koran: Als iemand een mens het leven redt, dan is het net alsof hij de hele mensheid gered zou hebben. Dat zijn mijn mantra’s.

„Ik vind het fijn om me met dit soort teksten bezig te houden. Dat was trouwens ook lastig na Cameretten. Tijdens de finalistentour had ik veel minder tijd om naar de moskee te gaan, de Koran te lezen, te bidden en na te denken. Ik voelde mezelf weer afglijden, ik werd geen leuker mens, was moe, chagrijniger, kreeg een korter lontje en had minder aandacht voor mijn leerlingen. Toen ik eindelijk uitsprak dat ik wilde stoppen met cabaret, voelde ik me zo opgelucht.”

Aghzanay is nu enkel nog leraar Engels. Halverwege ons gesprek klopt een leerling op de deur. Een meisje met een groot pakket vol chocolade komt het klaslokaal binnen. Ze legt een ov-chipkaart op tafel. „Dankuwel meneer.” Aghzanay is wat verbaasd. „Ze heeft twee weken mijn ov-chipkaart geleend. Ze kon anders niet naar school.”

Hij toont een tekst op zijn mobiel, het huiswerk dat hij een paar weken geleden opgaf. Onder de opdrachten staan inspirerende woorden. ‘Keep believing in yourself. Geef niet op. Ik geloof in jou. Zolang je in jezelf blijft geloven zijn er sowieso twee mensen die in jou geloven. Ik en jijzelf.’

Hoe uit die focus op oprechte aandacht zich in de lessen? „Ik geef altijd complimenten. Dat kan gaan over hun sneakers, maar ook over hun huiswerk of dat ze zich kwetsbaar durven opstellen. En ik begin elke les met een gesprek, vaak duren die vijf minuten, maar soms een hele les. Het liefst in het Engels. Dat kan over alles gaan. Dan zeggen ze: ‘Meneer, jongens zijn echt raar’ of ‘Ik heb echt zo’n leuk meisje ontmoet, maar ik ben zo onzeker’. Of over de relatie met hun ouders. Dat zijn voor hen belangrijke thema’s. Geregeld zit ik tot zes uur met leerlingen te praten over hun leven. Of ze komen in een tussenuur langs. Ik ga ook wel eens met ze uit eten of bowlen.

„Ik geef Engels, maar had ook een ander vak kunnen geven. Vakken zijn erg belangrijk, maar school is zoveel meer dan dat. Als je geen leerlingen hebt, heb je geen school, enkel een gebouw, de kinderen zijn het hart van het onderwijs. Ik kom dichtbij als docent, want ik wil weten wie mijn leerlingen zijn. Dan zie ik wanneer ze niet goed in hun vel zitten, wanneer ik hen moet bijsturen, wanneer er echte problemen zijn thuis en of ik hen door moet sturen naar een maatschappelijk werker. Maar ik zie natuurlijk ook wat hun talenten zijn en probeer die te stimuleren.”

Gaat hij daar soms niet te ver in? Wat is het verschil tussen een leraar en een vriend? „Nou ik corrigeer ze wel natuurlijk. Niet vloeken, huiswerk af hebben, altijd schriften, boeken en pennen mee. Anders moeten ze nakomen. Maar iedere leerling kampt met dingen. Van de ene zijn de ouders gescheiden. De andere woont niet eens meer thuis. Of ze hebben het financieel moeilijk, sommige leerlingen kunnen zelfs geen boeken kopen. Het enige waar ze naar op zoek zijn is iemand die hen begrijpt, iemand die oprecht om hen geeft. Ik wil dat heel graag zijn.”