En nu wat vroluks!

De fantastische tekenares Maria van Eldik heeft een boekje gemaakt met lachende varkentjes, vogeltjes met mutsjes op hun hoofd en lieve hertjes. Ik heb een gedichtje voor het boekje geschreven. Boekje ‘en nu wat vroluks!’ is te koop op:

BOEKJE

Achterop de fiets

,,Anouk, hoe zit ik achterop een fiets?”, vraagt mijn vriendje als ik in de tuin achter mijn computer zit. Hij gaat vanavond voetbal kijken in Amsterdam en slaapt daarna in het huis van een vriend, vijf kilometer verderop.  ’s Nachts om drie uur door de stad slenteren, is geen optie, hij moet daarom achterop.

Maar waar wij als Nederlanders eerder op een fiets zitten dan dat we kunnen lopen, hangen ze in Portugal tot hun 18e achterin een auto. Fietsen doen ze niet (Commentaar vriend: ,,Ja lekker makkelijk, het is hier helemaal plat. Als ik daar naar het centrum fiets, moet ik elke keer in 40 graden een soort Mont Ventoux  beklimmen. Bezweet als een otter kom ik dan aan.”).

Ze hebben wat gemist. Liefdes ontluiken op het bagagerek. De spanning in je buik als je bij die ene jongen achterop mag zitten, het vastpakken van zijn middel, zijn warme huid door de stof voelen, je hoofd net even te dicht op zijn billen en dan de hele rit veinzen dat je bijna valt, zodat je hem niet los hoeft te laten. Ik krijg er nog de kriebels van.

,,O ja, makkelijk. Dat kan iedereen”, zeg ik hem. ,,Pak eerst de heupen vast. Dan ren je even met de fiets mee en vervolgens spring je op de bagagedrager.” Ik doe in de lucht een sprongetje. Hij doet me na, althans een poging tot. Met twee benen zet hij af en maakt in de lucht een rare beweging.

De atletiektrainer van vroeger komt in mij naar boven. Ik schud mijn hoofd. ,,Nee, je moet wel met een been afzetten, anders kom je als een bom op de fietsendrager terecht.” Hij probeert het nog een keer, zet met het been naast de fiets af en draait zijn lichaam in een vreemde hoek. Ik kijk afkeurend en zucht. ,,Nee, andere been afzetten.” 

Nog een zucht. Nu van hem. ,,Misschien is het handiger als ik mijn fiets erbij pak. Je lichaam zal dan wel begrijpen wat ik bedoel.”, opper ik. Dat is niet alleen om hem op te vrolijken, ik denk ook echt dat het zo werkt.

Mijn vriendje rijdt zijn fiets uit de garage. Ik zwaai mijn been over het zadel. Hij neemt een aanloop, springt en komt zo hard neer dat ik de grip op het stuur verlies. Ik slinger met de fiets richting de bosjes en kan nog net mijn voeten op de vloer zetten om een botsing met de muur te voorkomen. Ik vloek in het Nederlands, hij in het Portugees, waar ik weer van schrik, dat betekent dat het echt menens is.

,,Misschien moet je vanavond toch maar gaan lopen.”

Buitenlandse liefdes

Mijn grootste liefdes zijn Zuid-Europeanen. Twee Grieken en een Portugees. De Grieken zijn via een stichting naar Nederland gekomen, de Portugees heb ik zelf opgehaald.

Het is een zwarte korthaar. Ik had hem in een dorp in Alentejo zien struinen en was naar hem toegekomen. Maar schuchter als hij was, was-ie weggekropen, achter zijn vrienden aan. Ik was ook erg groot en had geen eten mee. De dag daarna zag ik hem weer, hij lag bij een meer, moederziel alleen. Rustig sloop ik op hem af en ging door mijn knieën. Daar heb ik zijn hart gewonnen. De dagen daarna bleef hij om me heen zwerven. Uiteindelijk heb ik hem maar meegenomen naar Nederland.

Die Zuid-Europeanen lijken grappig genoeg op elkaar. Die Portugees luistert net zo slecht als die Grieken. Misschien komt dat omdat hij me niet altijd kan verstaan. Naar onbekende mannen die bij mij in de buurt komen, blaft hij. En hij wil altijd maar met mij spelen.

18558841_10210879327431751_3193077601406572081_o

Maar die overeenkomst baart me ook zorgen. Die Grieken zijn al meerdere keren losgebroken tijdens het wandelen. Ik moet er niet aan denken dat mijn Portugees straks verdwijnt. Ziet hij een ander vrouwtje op zijn pad lopen en is-ie opeens verdwenen. Misschien moet ik hem voor de zekerheid ook maar wat edelmetaal geven met mijn naam erop. Om zijn vinger, dan blijft hij tenminste altijd bij mij.

Plastic politie

Twee maanden nadat ik op de redactie aan de slag was gegaan, zette ik een afvalbak voor plastic neer. Sindsdien verplicht ik mijn collega’s hun afval te scheiden.

De sfeer op de redactie is er een stuk leuker op geworden. Idealisten zoals ik zijn heel leuke mensen, ze houden anderen een spiegel voor en in het selfie-tijdperk zit iedereen daar op te wachten. Mensen vinden het echt leuk om te horen dat ze hun broodje ham tussen de middag moeten vervangen voor wortelen en tofu. Laatst verplichtte ik mijn collega om de saladebak die hij bij het normale afval had gegooid van de bodem van de afvalemmer te vissen.

Nou moet ik toegeven, afval scheiden is hogere wiskunde geworden. Theezakjes van Lipton schijnen van kunststof te zijn en moeten bij plastic, andere zakjes weer bij GFT. Een papieren zakdoek met snot bij rest, zonder groene smurrie bij papier.

Sta je vervolgens eindelijk met je overvolle zak voor de plastic bak, moet je hem in een gat van dertig bij dertig centimeter persen. Plastic voor plastic erin hannesen dus, terwijl je de rottende lucht van etensrestjes inademt. Alles voor de aarde.

Ik ben er klaar mee. Misschien kan de gemeente Haarlem wat aan die bakken doen. Of ik laat de volgende keer een collega die plastic bij restafval heeft gegooid, verplicht onze plasticbak buiten legen. Als strafcorvee.

Schoonmama

En toen zat ik opeens in haar beha. Ik had niet de tijd gehad om me af te vragen of ik wel met mijn vingers aan de borst van mijn schoonmoeder wilde zitten. Ze had gewoon mijn hand gepakt en erin gestopt. ,,Kijk, jij zou ook zo’n push-up kunnen gebruiken.”

Mijn Portugese schoonmama is veel en geeft veel. Al die 48 weken per jaar die we haar niet zien, stapelt ze haar liefde op. Als we dan bij haar zijn, explodeert het. Geven is bij haar net als ademhalen. Ze koopt kleren voor me, geeft ongevraagd lingerie-advies, toen ze merkte dat mijn sjaal wat rafelde, lagen er de volgende dag drie nieuwe exemplaren op mijn bed. Bij elk leeg kopje thee, schiet ze omhoog om binnen twee minuten een hele pot te zetten. Ben ik van plan om wat boodschappen te doen, dan zit schoonmama al in de auto.

In zo’n groot hart verzuip ik, legde ik mijn vriendje uit. Het voelt alsof ik mijn eigen wil op Schiphol achterlaat. We moesten maar een huisje huren als we weer zouden gaan, in plaats van bij ze inwonen, opperde ik.

Totdat ik haar deze week op Skype zag. Ze miste ons zo en vocht tegen de tranen. Het was zo lief. Moesten we haar wel vertellen dat we af en toe verzopen in haar liefde? Kon ze dat aan? Ik heb het maar niet gedaan. Niet alleen uit medelijden. Voor je het weet, vind ik van de zomer drie zwemvesten op mijn bed.

Verschenen in Haarlems Dagblad

Buurvrouw en buurvrouw

Daar stonden we dan. Als een soort buurman en buurman tegenover elkaar. Met een bak, zaadjes, schepjes en aarde. Mijn beste vriendin, tevens buurvrouw, wilde een moestuin aanleggen. We waren opgegroeid in een bollendorp, dus je zou zeggen dat we wel weten hoe we de natuur naar ons hand moeten zetten. Maar zaden zijn geen bollen. We hadden op de basisschool geleerd hoe je ‘tomaat’ moet schrijven, moet tekenen, ik heb ermee leren rekenen maar hoe je een tomaat teelt? Bij kinderen komen baby’s van de ooievaar, bij mij tomaten van de supermarkt.
Maar gelukkig was daar Jelle van de makkelijke moestuin. De groene god, hoop in bange dagen waarin multinationals als Monsanto en Bayer ons voedselsysteem overnemen. Hij leert de stadsmens op hun manier tuinieren. Niet met een schep maar met een app. Hij deelt via de app de moestuin in vakken en vertelt welke groenten waar mogen groeien.

Alles ging op zijn dooie akkertje. Tot het moment waarop wij lente-ui in het midden van de bak wilden plaatsen. Dat kon niet volgens de app. Paniek! Jelle tegenspreken, was dat wel handig? De drang naar lente-ui was groter. En dus maakten we schuldbewust met onze handen kuiltjes in de aarde en stopten we de zaadjes erin. Nou maar hopen dat deze daad van revolutie zijn vruchten af gaat werpen.

Verschenen in Haarlems Dagblad

De Mandela in mij

Toen ik in groep 8 zat, hadden we het op een zonnige maandagmorgen in ons kringgesprek over helden. “Wie is jullie grote voorbeeld?” vroeg onze meester. Ik hoorde de namen Dennis Bergkamp, Britney Spears en Katja Schuurman vallen en vroeg me af of ik misschien ook een sportheld of popster moest noemen.
Ik vond dat als 11-jarige wijsneus een beetje triest. Bergkamp, Spears, wat hadden die nou bereikt? Ik wilde een andere naam noemen, iemand kiezen die echt wat had betekend. Dus toen het mijn beurt was, floepte ik de naam “Nelson Mandela’ er uit.

Ik moet heel eerlijk zijn; ik geloof niet dat ik de man echt kende. Maar ik had mijn ouders wel eens horen praten over een land in Afrika waar donkere mensen een lange tijd als ‘minder’ werden gezien en dat er een man was die daartegen had gevochten: Nelson Mandela.

Dat verhaal was blijven hangen. Ik snapte die man namelijk wel. Ik vond het idee van apartheid maar raar en gemeen. En ik vond het helemaal gemeen dat Mandela voor zijn strijd de gevangenis in moest. Eigenlijk maakte ik als 11-jarig meisje een soort slachtoffer van hem.

Ik begreep toen echter nog niet wat ik nu wel begrijp. Nu hij is overleden en zijn levensverhaal overal wordt beschreven en benoemd, snap ik dat Nelson Mandela helemaal geen slachtoffer was. En juist dat maakte hem zo groots. Dat 11-jarige meisje had helemaal gelijk, terwijl ze er eigenlijk niets van begreep.

Want Mandela is inderdaad een held, maar vooral omdat hij weigerde te buigen. Hij weigerde toe te geven aan de meningen en principes van zijn zogenoemde tegenstanders. Hij bleef zijn geduld en strijdlust bewaren om te vechten voor gelijkwaardigheid. Voor een hoger doel. Voor acceptatie van de donkere medemens.

Maar Mandela is wat mij betreft vooral een held omdat hij niet alleen in zijn hoofd weigerde te zwichten, maar vooral ook niet in zijn hart. Hij liet zijn hart niet vergiftigen door de haat van zijn zogenoemde tegenstanders.
Hij bleef liefhebben. En vanuit die liefde streefde hij naar acceptatie van de donkergekleurde mens. Nou ja, eigenlijk transformeerde hij de woorden ‘acceptatie’ tot een nog hoger goed. Hij streefde naar de eenheid van het hele Zuid-Afrikaanse volk. Blank en zwart. Geel, blauw, groen en rood.

Ik heb lang gedacht dat hij daarvoor over een enorme schaduw heen moest stappen. Dat hij zichzelf dwong om te vergeven omdat hij dat hogere doel van eenheid wilde bereiken. En ik vond dat prachtig. Zo gedisciplineerd, zelfreflectief en doelmatig. Die vergevingsgezindheid maakte hem wat mij betreft heilig.

Maar nu ik al die beelden weer opnieuw heb gezien en veel van zijn uitspraken heb gelezen, vraag ik me steeds vaker af of hij wel heeft moeten vergeven. Het lijkt er soms op dat hij tien stappen verder was. Dat hij niet eens met zijn hand over zijn hart hoefde te strijken omdat hij nooit iemand iets kwalijk heeft genomen. Sterker nog, hij zag in dat hij niet degene was die het meeste heeft geleden, maar dat de blanke machthebbers dat zelf het meeste deden. Omdat zij gevangen zaten in haat, rancune en veroordeling.

Hij niet. Hij leefde vanuit liefde, eenheid en acceptatie en daardoor was hij gelukkiger dan zijn opponenten. Beroemd zijn de uitspraken: “Een mens die een ander mens van zijn vrijheid berooft, is een gevangene van de haat, opgesloten achter de tralies van vooroordelen en kleingeestigheid”. En: “Als iemand iets goeds doet, geef dan een compliment. Als iemand iets fouts doet, bied dan je hulp aan.”

Het mooiste eraan vind ik dat die wijsheden uit hemzelf kwamen. Ik verslind altijd per jaar tientallen boeken zoekend naar antwoorden op mijn eigen levensproblemen en terwijl ik dit schrijf, ligt er ook weer een boek op mijn bureau genaamd Wat zou Boeddha doen? Maar bij Mandela kwam het vanuit zijn eigen hart. Hij had vast niet eens boeken in de gevangenis.

Net als de Boeddha verwacht Mandela vast niet dat ik zijn wijsheden en leefregels naleef, maar dat ik die in mijzelf probeer te vinden. Wat hij en Boeddha met hem waarschijnlijk het liefste hebben is dat ik op zoek ga naar dat liefdevolle, verzoenende, strijdlustige deel in mij. Eigenlijk is het heel ironisch, Mandela, mijn grootste inspiratiebron heeft mij geleerd dat ik vooral niet naar hem moet luisteren.

Verschenen op Boditv

Onfunctionele blote tepels

Ik ben nooit echt vies van een beetje vrouwelijk bloot; vrouwen mogen van mij hun lichaam laten zien. Ik huppel graag met een kort rokje door de stad en dat doe ik echt niet alleen voor de winkelruit. En een beetje inkijk vind ik een expressie van mijn vrouwelijkheid.
Maar toen ik keek naar de clips van Rihanna en Miley bekroop me een gevoel van onpasselijkheid. Ik zag ronddraaiende tongen, schuddende billen en kronkelende heupen; het leek wel alsof ik naar een pornofilm zat te kijken.

Ik vroeg mezelf af waarom ik me er zo aan stoorde. Was dit niet ook gewoon een vrijwillige keuze? Een expressie van hun vrouwelijkheid? Waarom voelde het zo ongemakkelijk aan?

Normaal gesproken ben ik namelijk niet zo moeilijk met blote benen en borsten. Sterker nog, ik vind het volstrekt belachelijk dat veel mensen in mijn omgeving moeilijk doen over Carice die naakt door het beeld hobbelt, terwijl diezelfde mensen iedere avond op tv naar zeer gewelddadige series kijken, zonder zich af te vragen wat voor invloed dat op hen heeft. Of dat naaktlopen verboden is in Nederland, maar dat wij het steeds normaler vinden dat er honderdduizenden mensen rondlopen met bontkragen op hun jas. Hoe kan het nou toch dat de dingen die gebaseerd zijn op ‘liefde, vrijheid, lust en plezier’ het verliezen van de dingen die zijn gebaseerd op ‘haat, misbruik, moord en vernietiging’?

Ik ben daarom eigenlijk een voorvechter van nog meer blote tepels op televisie. Ik hou wel van Carice d’r lichaam. Vooral in de zogenaamde ‘onfunctionele naaktscènes’.  Van naaktscènes die totaal nergens op slaan. Van je tandenpoetsen in je evakostuum bijvoorbeeld.

Ik hou ervan omdat het zo volstrekt normaal is. Omdat iedereen het thuis doet. Ik zou zo graag willen dat die nutteloze scènes ook in Hollywood films voorkomen. Dat George Clooney de planten water geeft in zijn nakie.

Het gebeurt alleen niet. In Hollywood wordt naakt alleen een heel klein beetje getoond tijdens vrijscènes. Maar daardoor geeft ze het lichaam onbedoeld maar 1 functie; die van seks. En volgens mij is dat in het preutse Hollywood nou net niet de bedoeling.

In het Midden-Oosten maken ze zelfs een nog grotere fout. Omdat de seksuele opwinding die het vrouwelijk lichaam kan bezorgen, ook daar blijkbaar zwaarder weegt dan al die andere functies van het lichaam, bedekt ze haar volledig. Daarmee wordt de boerka in mijn ogen symbool van het seksisme.

Dat voelt ongemakkelijk. En ik begrijp nu dat ik dat ongemakkelijke gevoel ook had toen ik naar Rihana en Miley Cyrus zat te kijken. Zij lijken in de clips ook alleen te willen zeggen dat het lichaam een lustobject is. Het enige verschil met het Midden-Oosten is dat de zangeressen dat nou juist wel willen zijn en de moslims nou juist net niet.

Maar ons lichaam is zoveel meer.  Zonder lichaam kunnen we niet genieten van de warme zon op onze huid, van de kriebels in onze buik als we verliefd zijn, van dat warme bad na die harde plensbui, van die maaltijd die zo goed heeft gesmaakt enz.

We doen te moeilijk. Natuurlijk is seks een onderdeel van ons lichaam. Is een been soms een middel om te verleiden en is een tong er gelukkig ook om iemand te bekoren. Maar we verliezen ons nu te veel in extremen.

Een lichaam is iets wat iedereen heeft. Iets wat je elke dag in de spiegel tegenkomt. Wat mij betreft is je blootje, gewoon je blootje.

Vragen

Vragen zijn de eerste stap van groei. Door te vragen worden dogma’s, waarheden en innerlijke overtuigingen iedere keer opnieuw uitgedaagd. Vooral de vragen ‘zou het niet anders kunnen?’ en ‘klopt het wel echt wat hier wordt beweerd?’ hebben ons veranderd van holbewoners in moderne mensen. Vragen zijn de zaadjes van een nieuwe wereld.

Lees verder Vragen