Reuzin op hakken

,,Op hakken lopen is hetzelfde als bier drinken; je kunt het leren’’, vertelt een meisje vrolijk op een YouTube-filmpje. Ze geeft allerlei tips om de helse pijnen van de hoge hak te doorstaan op een feestje: haarspray spuiten zodat je niet gaat schuiven, blarenpleisters meenemen in je tas en je muiltjes niet uitdoen, anders zetten je voeten op.

Ik zag het filmpje en vroeg mezelf af; waarom doen wij dit onszelf aan? Hakken zijn vrouwonvriendelijk. Eigenlijk alleen maar bedoeld om mannen te versieren. Om benen langer te maken en de bips omhoog te pushen. Ik zou als feminist natuurlijk tegen dit soort seksisme moeten zijn, maar ik ben helaas ook geïndoctrineerd en hou van een mooi figuurtje.

Ik krijg als lange vrouw (1.86m) wel vaak de vraag: ,,Durf jij op hakken te lopen? Heb je zo’n lange vriend dan? ‘’Mijn vriendje is 1.80m (eigenlijk 1.78m maar hij wil graag dat ik het afrond). Met hakken aan, bungel ik boven hem uit. We zijn een uitzondering. Als we op straat lopen, telt hij de stellen van wie de vrouw ook langer is dan de man. Veel zijn dat er niet. Ik durf te wedden dat er meer homo’s in Nederland wonen, dan stellen waar de vrouw groter is. De man hoort langer te zijn en te beschermen, is nog steeds de overtuiging.

En vanuit dat oogpunt is het dragen van hakken niet seksistisch. Juist een vorm van rebellie.

Deze column is eerder verschenen in de kranten van Holland Media Combinatie

Sparen voor later

Het was een feest om naar mijn zakgeld in mijn blauwe Pennie-spaarpot te kijken. Eerst rolden de vijfguldenstukken langzaam naar hun plek, daarna de rijksdaalders, de pieken en de dubbeltjes. Lang bleef het geld er niet in. Vaak leegde ik mijn spaarpot al snel om dropjes en lolly’s bij de sigarenwinkel op de hoek te kopen. Sparen voor later, daar deed ik niet aan.

Ik moest volwassen worden, vonden mijn ouders en dus leren omgaan met geld. Net op het moment dat ik wat meer ging sparen, veranderde mijn bank van naam. De Postbank werd ING.

Die bank ligt nu onder vuur. ING investeert in een oliepijpleiding die dwars door het grondgebied van een indianenstam gaat. Uiteindelijk ging het allemaal niet door toen Obama de stekker uit het project trok. Nu Trump de pijpleiding nieuw leven inblaast, verklaart ING niet onder haar investering uit te kunnen komen. Ze maakt zich wel zorgen en wist niet dat de indianen tegen de pijpleiding zijn.

Krokodillentranen. Waarom investeert ING überhaupt in olie? Is dat ook sparen voor later, geld stoppen in projecten die de aarde niet sparen? Hoe wrang is het als spaargeld daarin wordt geïnvesteerd? Kinderen kunnen hun spaarpot dan beter plunderen voor een zakje snoep.

Verschenen in Haarlems Dagblad

Kerstmagie

Ik kon als kind blijven kijken naar houten poppetjes die ronddraaiden op een schaatsbaantje. Het draaimolentje stond jarenlang bij ons met kerst op de open haard. Ik dacht eraan toen ik deze week met mijn moeder in het tuincentrum liep en bleef staan bij een winterwonderland. Ik zag een koortje dat zong in de sneeuw en een haardvuurtje waar een familie omheen zat. ,,Ik zou willen dat de wereld zo was”, verzuchtte ik tegen mijn moeder.

Ik hield als kind van kerst. Van mijn ouders die ’s ochtends naar beneden slopen, kerststol klaarmaakten, kaarsen op tafel zetten en uiteindelijk een kerst-cd aanzetten. Bij de eerste tonen sprongen mijn zussen en ik dan uit bed en dansten we door de woonkamer.

Toen ik bijkwam van die overpeinzing stond ik met mijn moeder tussen de afgeprijsde kerstballen in het tuincentrum. Het tl-licht deed pijn aan mijn ogen.We snelden naar huis en gingen aan de slag. Na een tijdje keken we naar de boom. Hij leek wel aangevallen door kerstballen, zo vol zat-ie. Mijn moeder probeerde de schade te beperken terwijl ik in de kerstdozen naar de draaimolen zocht. Tevergeefs. Ik keek naar buiten, het sneeuwde niet.

Met een gevoel van weemoed, plofte ik op een stoel. Hoe ouder je wordt, hoe meer de magie verdwijnt, dacht ik. Kon ik het maar terug toveren. Mijn moeder leek mijn gedachten te lezen. Opeens hoorde ik de bekende tonen. En daar, zingend en zwierend met mijn moeder door de woonkamer, voelde ik het even; de magie van kerstmis.

Deze column verscheen eerder in de kranten van Holland Media Combinatie

Achterop de fiets

,,Anouk, hoe zit ik achterop een fiets?”, vraagt mijn vriendje als ik in de tuin achter mijn computer zit. Hij gaat vanavond voetbal kijken in Amsterdam en slaapt daarna in het huis van een vriend, vijf kilometer verderop.  ’s Nachts om drie uur door de stad slenteren, is geen optie, hij moet daarom achterop.

Maar waar wij als Nederlanders eerder op een fiets zitten dan dat we kunnen lopen, hangen ze in Portugal tot hun 18e achterin een auto. Fietsen doen ze niet (Commentaar vriend: ,,Ja lekker makkelijk, het is hier helemaal plat. Als ik daar naar het centrum fiets, moet ik elke keer in 40 graden een soort Mont Ventoux  beklimmen. Bezweet als een otter kom ik dan aan.”).

Ze hebben wat gemist. Liefdes ontluiken op het bagagerek. De spanning in je buik als je bij die ene jongen achterop mag zitten, het vastpakken van zijn middel, zijn warme huid door de stof voelen, je hoofd net even te dicht op zijn billen en dan de hele rit veinzen dat je bijna valt, zodat je hem niet los hoeft te laten. Ik krijg er nog de kriebels van.

,,O ja, makkelijk. Dat kan iedereen”, zeg ik hem. ,,Pak eerst de heupen vast. Dan ren je even met de fiets mee en vervolgens spring je op de bagagedrager.” Ik doe in de lucht een sprongetje. Hij doet me na, althans een poging tot. Met twee benen zet hij af en maakt in de lucht een rare beweging.

De atletiektrainer van vroeger komt in mij naar boven. Ik schud mijn hoofd. ,,Nee, je moet wel met een been afzetten, anders kom je als een bom op de fietsendrager terecht.” Hij probeert het nog een keer, zet met het been naast de fiets af en draait zijn lichaam in een vreemde hoek. Ik kijk afkeurend en zucht. ,,Nee, andere been afzetten.” 

Nog een zucht. Nu van hem. ,,Misschien is het handiger als ik mijn fiets erbij pak. Je lichaam zal dan wel begrijpen wat ik bedoel.”, opper ik. Dat is niet alleen om hem op te vrolijken, ik denk ook echt dat het zo werkt.

Mijn vriendje rijdt zijn fiets uit de garage. Ik zwaai mijn been over het zadel. Hij neemt een aanloop, springt en komt zo hard neer dat ik de grip op het stuur verlies. Ik slinger met de fiets richting de bosjes en kan nog net mijn voeten op de vloer zetten om een botsing met de muur te voorkomen. Ik vloek in het Nederlands, hij in het Portugees, waar ik weer van schrik, dat betekent dat het echt menens is.

,,Misschien moet je vanavond toch maar gaan lopen.”

Buitenlandse liefdes

Mijn grootste liefdes zijn Zuid-Europeanen. Twee Grieken en een Portugees. De Grieken zijn via een stichting naar Nederland gekomen, de Portugees heb ik zelf opgehaald.

Het is een zwarte korthaar. Ik had hem in een dorp in Alentejo zien struinen en was naar hem toegekomen. Maar schuchter als hij was, was-ie weggekropen, achter zijn vrienden aan. Ik was ook erg groot en had geen eten mee. De dag daarna zag ik hem weer, hij lag bij een meer, moederziel alleen. Rustig sloop ik op hem af en ging door mijn knieën. Daar heb ik zijn hart gewonnen. De dagen daarna bleef hij om me heen zwerven. Uiteindelijk heb ik hem maar meegenomen naar Nederland.

Die Zuid-Europeanen lijken grappig genoeg op elkaar. Die Portugees luistert net zo slecht als die Grieken. Misschien komt dat omdat hij me niet altijd kan verstaan. Naar onbekende mannen die bij mij in de buurt komen, blaft hij. En hij wil altijd maar met mij spelen.

18558841_10210879327431751_3193077601406572081_o

Maar die overeenkomst baart me ook zorgen. Die Grieken zijn al meerdere keren losgebroken tijdens het wandelen. Ik moet er niet aan denken dat mijn Portugees straks verdwijnt. Ziet hij een ander vrouwtje op zijn pad lopen en is-ie opeens verdwenen. Misschien moet ik hem voor de zekerheid ook maar wat edelmetaal geven met mijn naam erop. Om zijn vinger, dan blijft hij tenminste altijd bij mij.

Ouderlijk huis

De eerste keer dat ik uit huis ging, zat ik huilend bij mijn moeder aan de keukentafel. Van die vertrouwde plek in Lisse waar mijn wereld zich afspeelde binnen een straal van 500 meter naar Den Haag waar zich meteen de eerste week al een steekpartij op de hoek van de straat afspeelde, was wel even wennen.

Ik kwam snel terug. Het was uit. Of ik alsjeblieft mijn kamer terug mocht. Die was inmiddels grijs geschilderd, maar ik was blij dat ik er even kon uitrusten. Anderhalf jaar later vertrok ik weer voor twee jaar, totdat we eind mei het bericht kregen dat ons huis moest worden gesloopt. Opnieuw verhuizen dus. Ik wilde richting Haarlem, naar de bossen, mijn vriend wilde in Leiden blijven. We kwamen door het treuzelen er tussenin terecht. Bij mijn ouders in Lisse. Alweer.

Saai is het in ieder geval niet. Mijn moeder probeert het werk af te maken wat mijn schoonmoeder heeft nagelaten: mijn vriendje opvoeden. Zaterdag stonden ze met ontploft haar in ochtendjas te bekvechten over de afwasmachine. Over de overloop lopen is voor hem dan weer een survival, voor je het weet loopt-ie z’n schoonvader gekleed in slechts een onderbroek en witte sokken tegen het lijf.

Of ik ooit van dat huis en mijn ouders afkom, is een grote vraag. Het heeft blijkbaar een magische aantrekkingskracht op mij. Daarom gooi ik het over een andere boeg. Gezocht: huis voor twee. Mijn vader is 2 meter 8, hoge deurposten zijn daarom geen overbodige luxe. Reageren kan per mail.

Verscheen eerder in de kranten van Holland Media Combinatie

Gekkie

In de bus zit een vrouw met een verhit hoofd. Ze heeft een strakke broek aan, met een zwarte blouse daarboven. Aan haar voeten draagt ze kistjes. Buiten is het 35 graden. Zweetdruppels dwarrelen over haar huid. Haar mascara is uitgelopen. Ze pakt haar blouse vast en blaast wat wind naar binnen. ‘Het is echt warm hier.’

Ik denk even dat ze tegen de buschauffeur spreekt, maar ze zit gedraaid naar de andere passagiers. Niemand lijkt zich wat van haar aan te trekken. Twintig mensen zitten in hun mobiel gedoken. De stoel naast haar is leeg. ‘Het is echt warm hier’, zegt ze nog een keer. De vrouw spreekt niet op normale toon, ze schreeuwt door de bus. Is het zo’n figuur die thuis alleen een bankstel heeft om tegenaan te praten en daarom bij ieder sociaal contact een soort waterval aan woorden laat neerstorten over ieder mens dat ze tegenkomt? Ik ken meer van dat soort types. Na vijf minuten wil je er wel een kurk instoppen.

Ze draait zich verder om. Nu richt ze zich specifiek op de jongen die achter haar zit. ‘Ik werk in Leiden. In de bediening. En jij?’ In het gezicht van de jongen zie ik het gevecht dat zich ook in mijn hoofd afspeelt. Is ze eigenlijk wel helemaal jofel? Hij antwoordt eerst normaal, maar spreekt daarna alsof hij zijn buurjongen wat uitlegt.

Ik kom ook aan de beurt. ‘Mooie jurk heb je zeg. Laminaatkleur, net als mijn konijnen. Ze heten Hetty en Beppie. Ik heb ze twee weken.’

Ik kan een lach niet onderdrukken. Net als veel andere passagiers. Ik weet het zeker. Bij deze vrouw zit een steekje los. Ze springt van de hak op de tak en de signalen van verwarring bij haar gesprekspartners, vangt ze niet op.

Maar wat is ze aandoenlijk. Ze verbindt mensen met elkaar door haar ontwapende gedrag. Onbekenden worden mensen. Ze tart de stilzwijgende regels die gelden in de bus. Daar val je elkaar niet lastig met vragen en opmerkingen. Als je contact zoekt, doe je dat maar met mensen die kilometers verderop net als jij achter een schermpje zitten. En die je tenminste niet kunnen horen en zien.

Voorin zijn de passagiers inmiddels een gesprek gestart over hun huisdieren. De jongen had vroeger konijnen. Bello is de hond van een vrouw voor mij.

De volgende ochtend pak ik opnieuw de bus. Om mij heen zitten alleen maar mensen in elkaar gedoken, tikkend op hun mobiel. Ik mis een gekkie die onbekenden met elkaar kan verbinden.

Verschenen in de kranten van Holland Media Combinatie