Ronaldo

Gut, wat vond ik de man een ijdeltuit. Met zijn strakke shirts, zijn gestylede kapsels, zijn egocentrische manier van spelen en die net even te bruine sixpack die hij, als het maar even kon, tevoorschijn toverde. Alsof god op aarde was neergedaald, zo betrad hij het veld.

Al had ik eigenlijk een hekel aan dat complete Portugese team. Ze dwongen ons op toernooien altijd op de knieën. In 2004 en 2006 stuurden die opgefokte stierenvechters ons in de eindrondes naar huis. In 2012 leek het goed te gaan met Oranje, we stonden voor na een doelpunt van Van der Vaart, maar toen kwam de plaatsvervanger van God op aarde in actie en was het gedaan met de winst. De Portugezen hadden de oranje leeuw weer in zijn hemd gezet.

Maar Portugezen winnen niet alleen wedstrijden, ook harten van weerloze Nederlandse meisjes. En dus zit ik dinsdagavond in rood-groene kleren (en lippen en oorbellen) met mijn vriendje voor de tv en juichen we Ronaldo naar de winst. Mijn nationalistische gevoelens blijken bij afwezigheid van Nederland net zo veranderlijk als de huid van een kameleon. En vooral mijn gevoelens voor een van de bekendste blote basten ter wereld. Ik hoop dat ik die sixpack komende weken zo vaak mogelijk door het beeld zie huppelen. Hup Portugal hup! Laat Ronaldo niet in zijn hempie staan!

Verschenen in Haarlems Dagblad

Ambitie

Ik zit soms tandenpoetsend op het toilet de krant te lezen en tegelijkertijd na te denken over een nieuw onderwerp voor een column. Of tijdens gesprekken met ouders of vrienden in mijn hoofd de tekst doorn te nemen van de liedjes die ik die avond op moet voeren in het theater. Ik vind het handig om van alles tegelijk te doen, dat bespaart tijd en in die tijd kan ik belangrijke dingen doen: mijn ambities verwezenlijken. Toch?

Mijn vriendje snapt mijn multitaskgedrag niet. Hij kan geïrriteerd raken als ik mijn sleutels op tafel leg terwijl ik tegelijkertijd een interviewafspraak maak. “Focus je nou eens op dat soort kleine dingen, die zijn ook belangrijk,” zegt hij dan.

Overdreven en totaal niet spiritueel is zijn reactie. Veel te veroordelend.  Ik doe mijn best toch? Ik vind het gewoon lastig om aandachtig te leven. Ik heb wel eens geprobeerd de welbekende mindfulness-krent een minuut lang te bestuderen. Na dertig seconden begon ik met mijn voeten te draaien van onrust. Aandachtig leven is voor mij een enorme uitdaging.

Ik vind daarnaast dat er wel belangrijkere dingen op de wereld zijn dan je druk maken over het rustig neerleggen van de sleutels op de tafel. De wereld moet eerst gered worden van dierenmishandeling, milieuvervuiling en mensenrechtenschending en daarnaast wil ik mijn dromen leven: een succesvol schrijver worden en eigenlijk ook nog zangeres en presentator. Snapt mijn vriendje dat niet? Die hoofdzaken, daar gaat het om in het leven. Bijzaken zoals mijn sleutels opbergen, eten, strijken en tandenpoetsen vind ik alleen maar tijdrovend. Daarom kan ik ze maar beter tegelijkertijd doen.

Maar steeds vaker merk ik dat mijn hoofd aanvoelt als dat spelletje van vroeger, “moeder we zitten in de knoop.” Een spelletje waarbij je in een kring gaat staan, de handen van je buren vastpakt en vervolgens over elkaars armen stapt, onder oksels doorkruipt en als het lukt ook nog in rondjes om elkaar heen draait. Je raakt zo in de war dat je niet meer weet wat onder, boven, links of rechts is. In mijn hoofd tuimelen gedachten net zo over elkaar heen en maken de meeste vreemde constructies. Daardoor weet ik niet meer waar een gedachte begint, waar die eindigt en of ik er nou wel of niet naar moet luisteren. En ik weet vooral niet hoe ik die gedachtencyclus moet stoppen.

Doordat ik multitaskend alles uit het leven wil halen, ben ik totaal niet productief. Door die stroom van gedachtes hoor ik mijn intuïtie minder goed, waardoor ik weinig goede ideeën en verhalen kan bedenken voor een column. En als ik aan het schrijven ben, zit de kern van mijn verhaal verstopt in de chaos van mijn hoofd en kan ik hem moeilijk op papier krijgen. Mijn ambitie is een grote aanhanger van multitasken, maar mijn brein is er gewoon niet voor gemaakt.

Ik moet rust gaan nemen in de alledaagse dingen. Want dingen die totaal niet boeiend zijn, vormen juist de adempauzes die nodig zijn voor het verwezenlijken van je ambities. Die dingen kun je het best met je volle aandacht doen. En dus neem ik me vanaf nu voor om niet meer mijn tanden te poetsen op de wc en die sleutels met al mijn aandacht op tafel te leggen.

Verschenen op Bodhitv

Vragen

Vragen is de eerste stap van groei. Door te vragen worden dogma’s, waarheden en innerlijke overtuigingen iedere keer opnieuw uitgedaagd. Vooral de vragen ‘zou het niet anders kunnen?’ en ‘klopt het wel echt wat hier wordt beweerd?’ hebben ons veranderd van holbewoners in moderne mensen. Vragen zijn de zaadjes van een nieuwe wereld.

Toch worden vragen maar al te vaak verkeerd begrepen. In de tweede klas van de middelbare school twijfelde mijn mentor aan mijn leercapaciteiten omdat ik ‘zoveel vragen stelde’. Zij dacht dat het vwo er daarom niet in zou zitten.

Het voorbeeld is klein maar geeft wel iets aan. Op onze scholen worden kinderen te vaak geleerd wat volwassenen al weten, terwijl we kinderen moeten leren ontdekken wat volwassenen nou juist niet weten. Zodat zij de aarde kunnen transformeren in een nog mooiere plek.

Maar wij sporen kinderen niet aan om te vragen, we sporen kinderen aan kennis te vergaren. De kennis waarmee wij zijn opgegroeid. Kennis die per definitie niet compleet is. Want de revolutionaire ideeën van vandaag zijn over vijftig jaar ouderwets.

Achter iedere waarheid schuilt namelijk een nog diepere waarheid. Achter iedere vraag, zit een andere vraag. De groten der aarden wisten dat. Jezus, de Boeddha, Albert Einstein, Socrates braken allemaal met de overtuigingen van hun tijd. Jezus brak met het jodendom, de Boeddha met het hindoeïsme, Albert Einstein met de natuurkundige formules van zijn voorgangers. En Socrates brak überhaupt met alle overtuigingen.

Al die grote namen waren revolutionairen en ik durf mijn handen in het vuur te steken dat ze dat vandaag de dag opnieuw zouden zijn. Dat Jezus dus zou breken met het christendom, Einstein met de huidige natuurkundige wetten en de Boeddha met het boeddhisme. Omdat zij verder gingen, waar velen al waren opgehouden.

Gek genoeg zijn de echte aanhangers van revolutionairen verre van revolutionair. Kijk naar de houding van katholieke kardinalen tegenover homoseksualiteit en abortus, de Islamitische landen waar vrouwen verplicht in een boerka rond moeten lopen omdat dat in de Koran zou staan en hoe moslims en boeddhisten elkaar in Birma te lijf gaan. Ze zijn vaak dogmatisch en soms zelf extremistisch. Sterker nog, als de strenggelovigen 2013 jaar geleden op dezelfde manier zouden hebben geleefd als nu, zouden ze hun meester hebben verketterd. Ze blijven nu namelijk in opgelegde ideeën hangen, terwijl hun leraar juist de wereld veroverde met nieuwe ideeën.

De grootste uitdaging die een leerling van Jezus Christus heeft, is dan ook het ondervragen van het christendom. Om vanuit het christendom nog diepere antwoorden te formuleren en niet te blijven hangen in de antwoorden van hun meester. De psychiater Carl Jung voorzag dat probleem al en had daar een duidelijke mening over. “Thank God I am not a Jungian,” zei hij. En ook de Boeddha zei daar wat over: “Geloof niet wat ik zeg eenvoudigweg omdat ik het zeg, maar ervaar de waarheid van wat ik zeg voor jezelf.”

Ook Jung en de Boeddha voorzagen al dat hun waarheid niet per se de waarheid is. Dat we waarheden van grote meesters niet voor zoete koek moeten slikken. Nee, we moeten blijven vragen. Want de beste vragen creëren nieuwe vragen, en daardoor nieuwe antwoorden. En een echte leraar weet dat. Een echte leraar spoort leerlingen aan om te vragen. Want een echte leraar creëert nieuwe leraren.

Verschenen op Bodhitv

Bal

De opgetrokken wenkbrauw van mijn vriendje zag ik niet. Ik was gewoon lekker bezig. Roste de nieuwe medicine ball van 3 kilo waar we onze oefeningen meededen, zo hard mogelijk in zijn handen. Of althans, dat was de bedoeling. De eerste keer viel de bal uit zijn handen, de tweede keer rolde mijn vriendje van de kracht achterover, de derde keer liet hij hem maar gewoon stuiteren.

Dat fanatisme had ik van mijn vader, die topbasketballer is geweest. Hij had gehoopt dat wij ook voor de sport kozen, maar wij dochters gingen op atletiek. Een steek door zijn hart. Toen hij er ook nog achter kwam dat we niet konden balwerpen, zat hij dichtbij een inzinking. En dus moesten we op les. Elke zaterdagochtend op het pleintje voor ons huis oefenen met de bal. “Het is je moeder niet”, schreeuwde hij ons dan toe.

Mijn vriendje wist niet dat ik ook die fanatieke genen had meegekregen. Ik heb hem leren kennen in een veganistische hippiecommune waar ze nog geen mug doodslaan. En de enige sport die ik lang deed, was yoga, waar ik op de mat zocht naar innerlijke vrede.

Na tien keer de bal heen en weer smijten, gaf mijn vriendje het op en ging naar binnen. “Ik herken je zo niet. Je lijkt wel een monster.”

Mijn vader is vast trots op me. Die lessen hebben nut gehad.

Verschenen in Haarlems Dagblad

 

Porno

Ik kijk naar mijn vriendin. Die zit er net zo ongemakkelijk bij. Schaamrood op de kaken, blik afgewend. De harde piemels en vagina’s vliegen door het beeld. We kijken op een scherm naar keiharde porno samen met tweehonderd anderen in de schouwburg.

Het was een cadeautje van mijn vriendinnen. Een theaterstuk over hoe de maatschappij met vrouwen omgaat. Het is heftig. Na de porno komen de cijfers, hoeveel vrouwen de baas zijn bij een bedrijf en slachtoffer zijn van huishoudelijk geweld. Daarna komen de tientallen grappen die op internet rondgaan. ‘Wat is het verschil tussen een ijskast en een vrouw? Een ijskast kreunt niet als je er vlees in steekt.’

De zes vrouwelijke hoofdrolspelers betogen dat vrouwen nog te vaak een bijrol hebben in onze samenleving. Na de opsomming van alle feiten en ongenuanceerde grappen, kan ik hen geen ongelijk geven.

Bij thuiskomst belt mijn moeder om te zeggen dat een vriendin van de familie gaat trouwen. Ze neemt de naam van haar partner aan, zegt ze terloops.
Zolang vrouwen onder het mom van romantiek hun naam en daarmee hun geschiedenis ondergeschikt maken aan die van hun man, zolang zal de vrouw een tweederangsburger blijven. Omdat ze zichzelf te vaak in die situatie plaatst.

Van journalist naar bootvluchteling

Journaliste Besan (25) versloeg in het geheim de Syrische revolutie. Totdat de Syrische overheid haar collega oppakte en vermoordde. Besan vluchtte. Ze werkte in Egypte, maar ook daar werd het te gevaarlijk. Uiteindelijk stak ze op een bootje de Middellandse Zee over. Sinds vier maanden woont ze in Haarlem. Deze krant tekende haar verhaal op. Om veiligheidsredenen wordt alleen haar voornaam vermeld.

Regio Besan keek naar het zwarte gat. Het verschil tussen het water en de lucht was bijna niet te zien. Er waren ook geen golven, de zee was vredig en kalm. Maar in Besans hoofd stormde het. Haar herinneringen aan dode lichamen en het geluid van bombardementen arrangeerden een kakofonie van gedachten.
De kou versterkte haar onveilige gevoel, maakte haar naakt en eenzaam. Hier stond ze, honderden kilometers van haar familie
vandaan, wachtend op een boot naar een land waar ze alleen op internet iets over had gelezen.
Om daar te komen, moest ze het water oversteken. Maar de zee was soms woest en onstuimig. Ze was er bang voor. Misschien als ze haar verhaal zou vertellen, dat hij haar veilig naar de overkant wilde brengen. Woorden begonnen uit haar mond te stromen.
,,Toen de oorlog begon, was ik een vrolijk maar naïef meisje. Ik studeerde ‘mediastudies’ aan de universiteit en wilde later bekend worden. Ik wilde mensen vermaken met mooie verhalen.
Mijn naïviteit verdween op een middag in augustus in 2011. Toen werd de dood mijn leven in geschoten. Al dagen protesteerden buurtgenoten tegen het opsluiten van een aantal onschuldige mensen. Soldaten kwamen als reactie onze wijk binnen en haalden onze huizen overhoop, op zoek naar de demonstranten. Ze werden in een schoolgebouw gestopt waar ze werden gemarteld. We hoorden het geschreeuw, Daarna was het stil. Toen we een paar uur later de straat op durfden, zagen we hun lijken liggen. Ik herkende de groenteboer, een vriend van mijn broer en de buurman. Sommigen waren doodgeschoten, bij anderen was de keel doorgesneden.”
Journalist ,,De oorlog had veel invloed op mij, ik werd een gesloten meisje. Voorheen keek ik het leven in de ogen, nu richtte ik mijn blik niet meer omhoog, bang om met de dood geconfronteerd te worden. Mijn gevoelens kon ik niet meer uiten met woorden. Huilbuien werden mijn vriend.”
Besan pauzeerde en voelde dat ook nu de tranen over haar wangen stroomden. Ze was in paniek. De herinneringen waren zo levendig, ze sneden door haar ziel.
,,Van het regime mochten wij niet weten wat er aan de hand was. Maar vragen stellen zit in mijn bloed, mijn vader is ook journalist geweest. Ik ben mensen gaan interviewen, wilde weten wat er in mijn land gebeurde.”
,,Ik schrok toen ik achter de waarheid kwam. Ik begreep dat mijn leven was gebaseerd op een leugen. Het was net alsof ik naar de tandarts ging en erachter kwam dat mijn kies van binnen volledig was verrot. We vertelden in Syrië aan elkaar dat we in een vrij en modern land leefden, maar dat was niet zo. Mensen die tegen het regime protesteerden werden gevangen genomen en vermoord.
Ik vond het mijn plicht om die verhalen op te tekenen. Ik wilde de wereld vooral laten zien wat de oorlog met de bevolking deed.
Het werk was gevaarlijk, maar niets doen was geen optie. Ook onschuldige burgers werden vermoord. Je kon maar beter het verschil willen maken en dan overlijden, vond ik.
Het ging lang goed, tot die ene dag. Een van mijn collega’s werd
gearresteerd. Ik had vaak over arrestaties geschreven dus ik wist wat er met hem ging gebeuren. Hij zou gemarteld worden en uiteindelijk vermoord. Ik heb er dagenlang bijna niet van geslapen. En als ik sliep, had ik nachtmerries. Een paar dagen na de arrestatie kregen de ouders van mijn collega zijn identiteitskaart opgestuurd. Dat was het teken dat hij was omgebracht.
Ik heb gehuild. Gehuild om de dood van mijn vriend. En omdat ik wist dat mijn laatste dagen in Syrië waren geslagen. Ik zou de volgende kunnen zijn en moest vluchten. Toen ik dat aan mijn ouders vertelde, waren ze ontroostbaar. Op de dag dat ik vertrok, zag ik mijn vader vechten tegen de tranen. Dat beeld breekt nog steeds mijn hart. Familie is als een tweede huid voor mij. Ik hoop dat ik ze ooit terugzie.”
Besan was richting de zee gelopen. Ze begon hem te vertrouwen. De zee was net als zij een schepsel van Allah. Ze had het idee dat hij naar haar luisterde.
,,Ik ben naar Egypte gevlucht waar ik als journalist heb gewerkt. Maar ook in Egypte werd het onveilig. Bevolkingsgroepen bevochten elkaar. Egypte begon op Syrië te lijken.
Vrienden die ik daar heb ontmoet stelden voor om naar Europa te
vluchten. Ik wilde eigenlijk niet. Ik hield van de Arabische taal en cultuur en vond dat ik als journalist juist in de Arabische landen moest blijven om daar de vrijheidsstrijd van de bevolking te verslaan.
Maar de spanningen liepen steeds hoger op. Daarnaast veranderden de wetten waardoor ik illegaal werd. Ik kon niet meer werken.”
Besan was de zee genaderd. Haar voeten raakte bijna het water. Ze twijfelde nog steeds over de bootreis, maar de twijfel bereikte haar hoofd niet meer. Besan had besloten om te stoppen met denken, want als ze zou realiseren hoe gevaarlijk haar plannen waren, zou ze terugkrabbelen. ,,Ik ben een verhalenverteller, maar vroeger werkte ik alleen om mensen gelukkig te maken met mijn artikelen. Ik begrijp nu dat mijn taak groter is. Ik heb de mogelijkheid om met een pen en mijn stem mensen aan het denken te zetten. Dat is mijn taak. En dat is wat ik daar wil gaan doen. Jij moet mij die kans geven.” Ze draaide zich om en liep terug naar het huis waar ze met de andere vluchtelingen wachtte op het moment dat ze konden vertrekken.
De overtocht Besan was na 24 uur weer terug op het strand. De reis ging beginnen. Op commando moest ze naar een klein bootje rennen die haar later naar een grotere boot bracht. Besan rende op blote voeten door het zand, later door het water. Ze voelde niets. Haar lichaam was verdoofd. De kou en nattigheid drongen pas tot haar door toen ze in de boot plaatsnam. Toen werd ze overvallen door een mix van kou, verdriet en angst en viel ze flauw. Een van haar vrienden sloeg haar wakker. Haar wangen deden er pijn van. Samen zochten ze een plekje op de boot. Daar viel ze zittend in slaap.

Toen ze wakker werd, was ieder teken van de bewoonde wereld verdwenen. Om haar heen zag ze alleen maar water.Besan voelde dat ze in paniek raakte. Wat als de boot zou zinken? Ze verbood zichzelf om zo te malen. Besan geloofde in de kracht van positief denken. Alles wat je aandacht gaf, groeide. Ze moest blijven geloven dat het goed zou komen. Zo ging ze vroeger ook met buikpijn of hoofdpijn om.
Op zee waren weinig golven waardoor de bootreis de eerste dagen
rustig verliep. Maar er was niet veel plek aan boord. Er zaten vierhonderd mensen op een boot die net zo klein was als een gemiddelde woonkamer. Besan kon haar benen niet strekken.
Veel mensen waren bang en baden wanhopig tot Allah. Besan probeerde het gejammer uit te schakelen. Samen met haar vrienden deed ze alsof ze op ontdekkingstocht waren. Ze maakten grapjes over de bedrijven die ze zouden openen in Europa, zongen samen Syrische liederen uit hun kindertijd en lazen soms de Koran. Maar voor de kust van Libië ging het fout. De zee werd onstuimig en produceerde grote golven. Ze klotsten over de reling het dek op. Iedereen die aan de voorkant van de boot zat, werd naar achteren gedrongen. Besans kleren waren doorweekt en haar schoenen werden opgeslokt door de golven. Blootsvoets moest ze op zoek naar een nieuwe plek. Ook de wind was woest, hij sneed door haar kleren heen. Besan kreeg het steeds kouder.
Uiteindelijk werd ze in onderkoelde toestand naar beneden gebracht. Daar zaten veel andere vrouwen en kinderen. Besans zintuigen werden overdonderd door de omstandigheden in het hok. Door de motoren was het er bloedheet, de pijpleiding die vanuit het toilethok naar zee liep, lekte bruine smurrie op de bankjes en het stonk er naar braaksel van de vrouwen die niet tegen de ruigheid van de zee konden.
Besan werd misselijk van de geur en gaf ook over, in een plastic zak. Het was een van de laatste zakken op de boot waardoor de leiding besloot om een groot zeil in het midden te plaatsen. Besan verloor al haar waardigheid toen ze samen met de andere vrouwen dagen achter elkaar daar hun magen in leegden. Ze spuugden elkaar ook onder, op Besans hoofddoek zat zelfs wat braaksel van een andere vrouw. ,,Wat heb ik mezelf aangedaan?”, vroeg ze zichzelf af.
Vlak daarna ging de boot nog heviger heen en weer. Vrouwen schreeuwden door elkaar. Op het dek begonnen de mannen te huilen, ze vroegen Allah hun dood uit te stellen. Ook Besan had geen kracht meer om gedachten van de dood tegen te houden.
Ze was uitgeput, had al dagen geen trek meer gehad in eten. Ze zou of verhongeren, of verdrinken dacht ze. ,,Waarom ben ik niet in Egypte gebleven?” Vlak na die gedachte zakte ze weg.

Besan zat op de bank en keek naar het Ikea-schilderij dat ze net had opgehangen. Het kwam van marktplaats, net als haar hele interieur. Er stond ‘home’ op.
Toch voelde ze zich hier niet thuis. Ze was gearriveerd in het land van de vrijheid, maar voelde zich gevangengenomen door de taal, het middel waarmee ze normaal juist de harten van mensen raakte. Ze was geen journalist maar vluchteling.
Besan dacht terug aan het moment dat ze in Europa aankwam. Het was eind juni geweest, ze hadden meer dan een week op zee gedobberd. Besan was meerdere keren weggevallen, toen een Italiaans marineschip hen had opgepikt. Het eerste wat Besan aan wal had gedaan, was een douche nemen om alle ellende van haar af te spoelen.
Vervolgens hadden zij en haar vrienden een man aangesproken die vluchtelingen voor een paar duizend euro naar alle landen van Europa bracht. Twaalf uur later stonden ze op de stoep van de IND. Een paar maanden later kreeg ze een huis in Haarlem aangeboden.
Besan liep naar beneden en pakte uit de garage haar fiets. Ze ging naar Vluchtelingenwerk Haarlem. Ze wilde weten of zij een goede Nederlandse cursus kenden. Het liefst was ze er al gisteren mee begonnen, zodat ze de Nederlanders zo snel mogelijk kon vertellen over de situatie in haar thuisland. Besan hield van Haarlem, ze herkende het oude centrum van Damascus in de rode bakstenen van de gebouwen.
Vraag Toen ze binnenkwam, maakten haar begeleiders grapjes over haar bezoek. Het was de zoveelste keer dat ze langskwam. Bijna iedere dag had ze wel een vraag. Maar de rollen waren nu ook omgedraaid. Haar begeleiders wilden ook wat van haar weten. ,,Zou je jouw vluchtverhaal aan de regionale krant willen vertellen? Ze zijn na de bootramp voor de kust van Italië op zoek naar mensen die zo’n bootreis hebben overleefd.”
Besan was overrompeld door het verzoek. Ze wilde zo graag de Nederlandse, journalistieke wereld leren kennen en het werd haar nu in de schoot geworpen. Maar ze was ook huiverig, ze wilde niet in de krant komen als zielige vluchteling. Ze had Nederland ook veel te bieden. Dat zou ze de journaliste vertellen.
Een paar dagen later kwam ze langs. De vrouw nam plaats op de bank, zette haar bandrecorder aan en stelde haar eerste vraag. ,,Waarom wil je zo graag je verhaal vertellen aan de krant?” Besan dacht diep na en lachte. Ze kreeg een inzicht. ,,Ik heb als journalist geprobeerd om verhalen op te tekenen van de gewone Syriër. Welke strijd zij voeren. Dat kan ik hier niet meer doen. Maar ik ben erachter gekomen dat mijn verhaal, hun verhaal is. Het verhaal dat je ondanks de angst om te verdrinken van je familie wegvlucht, omdat je vreest voor je leven. Dat verhaal moet verteld worden.” En ze vertelde.

Verschenen in Haarlems Dagblad

De Mandela in mij

Toen ik in groep 8 zat, hadden we het op een zonnige maandagmorgen in ons kringgesprek over helden. “Wie is jullie grote voorbeeld?” vroeg onze meester. Ik hoorde de namen Dennis Bergkamp, Britney Spears en Katja Schuurman vallen en vroeg me af of ik misschien ook een sportheld of popster moest noemen.
Ik vond dat als 11-jarige wijsneus een beetje triest. Bergkamp, Spears, wat hadden die nou bereikt? Ik wilde een andere naam noemen, iemand kiezen die echt wat had betekend. Dus toen het mijn beurt was, floepte ik de naam “Nelson Mandela’ er uit.

Ik moet heel eerlijk zijn; ik geloof niet dat ik de man echt kende. Maar ik had mijn ouders wel eens horen praten over een land in Afrika waar donkere mensen een lange tijd als ‘minder’ werden gezien en dat er een man was die daartegen had gevochten: Nelson Mandela.

Dat verhaal was blijven hangen. Ik snapte die man namelijk wel. Ik vond het idee van apartheid maar raar en gemeen. En ik vond het helemaal gemeen dat Mandela voor zijn strijd de gevangenis in moest. Eigenlijk maakte ik als 11-jarig meisje een soort slachtoffer van hem.

Ik begreep toen echter nog niet wat ik nu wel begrijp. Nu hij is overleden en zijn levensverhaal overal wordt beschreven en benoemd, snap ik dat Nelson Mandela helemaal geen slachtoffer was. En juist dat maakte hem zo groots. Dat 11-jarige meisje had helemaal gelijk, terwijl ze er eigenlijk niets van begreep.

Want Mandela is inderdaad een held, maar vooral omdat hij weigerde te buigen. Hij weigerde toe te geven aan de meningen en principes van zijn zogenoemde tegenstanders. Hij bleef zijn geduld en strijdlust bewaren om te vechten voor gelijkwaardigheid. Voor een hoger doel. Voor acceptatie van de donkere medemens.

Maar Mandela is wat mij betreft vooral een held omdat hij niet alleen in zijn hoofd weigerde te zwichten, maar vooral ook niet in zijn hart. Hij liet zijn hart niet vergiftigen door de haat van zijn zogenoemde tegenstanders.
Hij bleef liefhebben. En vanuit die liefde streefde hij naar acceptatie van de donkergekleurde mens. Nou ja, eigenlijk transformeerde hij de woorden ‘acceptatie’ tot een nog hoger goed. Hij streefde naar de eenheid van het hele Zuid-Afrikaanse volk. Blank en zwart. Geel, blauw, groen en rood.

Ik heb lang gedacht dat hij daarvoor over een enorme schaduw heen moest stappen. Dat hij zichzelf dwong om te vergeven omdat hij dat hogere doel van eenheid wilde bereiken. En ik vond dat prachtig. Zo gedisciplineerd, zelfreflectief en doelmatig. Die vergevingsgezindheid maakte hem wat mij betreft heilig.

Maar nu ik al die beelden weer opnieuw heb gezien en veel van zijn uitspraken heb gelezen, vraag ik me steeds vaker af of hij wel heeft moeten vergeven. Het lijkt er soms op dat hij tien stappen verder was. Dat hij niet eens met zijn hand over zijn hart hoefde te strijken omdat hij nooit iemand iets kwalijk heeft genomen. Sterker nog, hij zag in dat hij niet degene was die het meeste heeft geleden, maar dat de blanke machthebbers dat zelf het meeste deden. Omdat zij gevangen zaten in haat, rancune en veroordeling.

Hij niet. Hij leefde vanuit liefde, eenheid en acceptatie en daardoor was hij gelukkiger dan zijn opponenten. Beroemd zijn de uitspraken: “Een mens die een ander mens van zijn vrijheid berooft, is een gevangene van de haat, opgesloten achter de tralies van vooroordelen en kleingeestigheid”. En: “Als iemand iets goeds doet, geef dan een compliment. Als iemand iets fouts doet, bied dan je hulp aan.”

Het mooiste eraan vind ik dat die wijsheden uit hemzelf kwamen. Ik verslind altijd per jaar tientallen boeken zoekend naar antwoorden op mijn eigen levensproblemen en terwijl ik dit schrijf, ligt er ook weer een boek op mijn bureau genaamd Wat zou Boeddha doen? Maar bij Mandela kwam het vanuit zijn eigen hart. Hij had vast niet eens boeken in de gevangenis.

Net als de Boeddha verwacht Mandela vast niet dat ik zijn wijsheden en leefregels naleef, maar dat ik die in mijzelf probeer te vinden. Wat hij en Boeddha met hem waarschijnlijk het liefste hebben is dat ik op zoek ga naar dat liefdevolle, verzoenende, strijdlustige deel in mij. Eigenlijk is het heel ironisch, Mandela, mijn grootste inspiratiebron heeft mij geleerd dat ik vooral niet naar hem moet luisteren.

Verschenen op Boditv

Verstoten en berooid

Al 143 dagen is het bankje op het Leidse stationsplein zijn thuis. Berooid en aan de bedelstaf trekt het dagelijkse leven aan hem voorbij. Het leven van Mohammed Bin Talal begon als telg uit de vorige koninklijke familie van Saoedie-Arabië heel anders. Op het bankje vertelt hij zijn bizarre levensverhaal.

Dag in dag uit ziet hij op het bankje bij het station de bewoners van Leiden voorbij komen. Werkenden, scholieren en studenten op pad naar hun werk en studie. Op weg naar hun dromen en verplichtingen. Het leven van deze passanten verschilt veel met het bestaan van Mohammed Bin Talal. Hij heeft geen dromen en verplichtingen. Hij woont op straat.

Zijn leven vindt hij allesbehalve saai. “Dat denken mensen vaak, maar dat is niet zo. Ik heb heel veel aanspraak. Ik heb op dit bankje mensen van over de hele wereld ontmoet. Aziaten, Afrikanen, Zuid- en Noord-Amerikanen. Ze komen naast mij zitten en beginnen te praten.” In het Engels, want Nederlands spreekt hij niet.

Een vrouw van ongeveer 20 jaar komt op hem aflopen en geeft hem een knuffel. “Mohammed is echt een vriend van mij geworden”, vertelt ze. “Hij is niet zoals andere daklozen. Nooit dronken of onder invloed van drugs. Nee, hij is heel wijs en geeft mij altijd advies over het leven.” Ze geeft hem wat sigaretten en Mohammed bedankt haar. “Ik krijg erg veel spullen van Leidenaren. Soms hebben mensen zelf wat gekookt en brengen dat dan. Of restaurants geven mij het eten wat over is.”

Zijn stem klinkt rustig en geamuseerd en hij komt intelligent en sociaal over. Maar Mohammed heeft ook een andere kant. Dat blijkt als hij zijn bijzondere levensverhaal uit de doeken doet.

“Mijn opa was de laatste prins van de Al-Rasheed familie. Wij waren de heersers van een groot gedeelte van Saoedi-Arabië, ongeveer 60% van wat het land nu is. In 1921 is de stad van waaruit wij regeerden aangevallen door Ibn Saoed, de stichter van het huidige Saoedi-Arabië. We zijn tot een overeenkomst gekomen. Wij hielden ons geld, zij kregen de macht.”

Maar de vijandschap tussen de twee families verdween niet, ook al werden er gemengde huwelijken gesloten om de relatie te verbeteren. Hij graait tussen de vier jassen die hij draagt op zoek naar een pen om zijn familiestamboom te tekenen. “Mijn tante was één van de vrouwen van koning Ibn Saoed. Haar zus trouwde één van de zonen van diezelfde koning. De man was een kind van een andere vrouw. Uit dat huwelijk zijn twee jongens geboren. Eén van hen heeft in 1975 de derde koning van Saoedi-Arabië vermoord.”

Gevangenis Mohammeds stemming verandert als hij het over zijn familiegeschiedenis heeft. Stonden zijn ogen net nog vriendelijk, nu kijkt hij boos. “Mijn vader is toen gevangen genomen. Hij was niet betrokken bij de aanslag, maar hij wist er wel van en heeft er niets aangedaan. Hij heeft een jaar vast gezeten. Na zijn vrijlating is zijn paspoort afgenomen. En ook dat van mij. Ik was toen zeven jaar. We zijn naar Irak gevlucht. Daar heb ik tot 1988 gewoond. We kregen een Iraakse identiteitskaart. Daarna ben ik naar Amerika gegaan om mijn bachelor politicologie te halen.”

In 1995 belandde hij voor de master ‘Social Communication’ aan de Universiteit aan Amsterdam. “Ik ben vervolgens in Leiden terechtgekomen op uitnodiging van een vriend die ik in de jaren erna uit het oog ben verloren. Toen ik de stad zag, wilde ik niet meer weg. Alles is hier leuk. De mensen, de grachten, de huizen.” Hij had ondanks de dramatische gebeurtenissen in Saoedie-Arabië en de oorlog in Irak een aangenaam leven in Leiden. Totdat hij erachter kwam dat het familiefortuin was verdwenen van zijn Zwitserse bankrekening. Er was nog wel wat aan geld. Maar dat ging omdat hij gewend was te leven in hotels, snel op.
En nu zit de prins dus elke dag op dat bankje voor Leiden Centraal. Familieleden bevestigen zijn verhaal. Dat hij op straat leeft, wisten ze echter niet. Ze bieden hem direct hulp aan. Maar die hulp wil hij niet aannemen.

“Het is een egokwestie. Ik wil niet dat mensen mij helpen. Het voelt alsof ik dan hun gevangene word. Dat ik iets terug moet doen.” Hij wijst op zijn boodschappentas die vol zit met koekjes, pakjes drinken en chocolade. “Natuurlijk krijg ik nu ook vaak dingen van mensen. Dat komt uit hun hart. Ik hoef daar niets terug te doen.”

Die trotse houding bezorgt hem ook veel problemen. Na het verlopen van zijn studentenvisum vroeg hij nooit een verblijfsvergunning aan in Nederland. Een paspoort heeft hij ook niet. En zijn Iraakse identiteitskaart verviel na de val van de regering van Saddam Hoessein. Omdat hij dus illegaal in Nederland verblijft, belandde hij de afgelopen jaren meerdere malen in de gevangenis. In 2005 en van 2009 tot 2012 zat hij vast. In 2012 wilde de Saoedische ambassade een gesprek met hem, dat op niets uitliep. Ze wilden zijn papieren om terug te keren naar zijn vaderland niet verstrekken. “Ze zagen, denk ik, in mijn ogen waar wij, Bin Talals, toe in staat zijn.” Hij refereert aan de bloedige familiegeschiedenis. “Ook onderling hebben mijn familieleden elkaar vermoord. Het is onderdeel van het leven. Het koninklijke leven.” Mohammed is volgens de IND niet de enige illegaal in Nederland die niet terug mag naar zijn vaderland, maar de Immigratie en Naturalisatie Dienst wil niet ingaan op individuele gevallen zoals Mohammed.

Mohammed houdt de Saoedische regering verantwoordelijk voor de ellende in zijn leven. ,,Ze hebben jarenlang geprobeerd om ons klein te krijgen.” Zijn opsluiting in de vreemdelingenbewaring ziet hij als een pact tussen de Nederlandse regering en de Saoedische autoriteiten. ,,Nederland heeft zakelijke belangen daar, dus proberen ze mij ook kapot te maken. Dat is wat de Saoedische autoriteiten willen.”

Na zijn verblijf in de gevangenis heeft hij nog een tijd in hotels gewoond. In juni van dit jaar was het geld op en belandde hij op straat. “Ik kan als illegaal niet werken. Dus nu zit ik hier op dit bankje, al 143 dagen. Ik weet dat zo precies omdat ik de dagen tel, gewoon voor mijn plezier.” Hij moet lachen om zijn gewoonte. Het leven op het bankje bevalt hem op een rare manier ook wel. ,,Ik draai rond in cirkeltjes. Mijn toekomst ligt in de handen van anderen. Daarom blijf ik hier gewoon zitten. Het maakt mij ook niet meer uit. Ik heb al zoveel overleefd. Ze krijgen mij niet klein.”

Verschenen in de kranten van Holland Media Combinatie